De Bevrijding

Middelen van sociale interactie: Dialoog

De Heilige Koran maakt, behalve de eerder genoemde principes, gebruik van drie belangrijke werktuigen: dialoog, kennis en zelfverandering.

Dialoog

De Heilige Koran erkent de ander, en bevestigt het feit dat mensen tot verschillende rassen, talen, ideologieën, godsdiensten en culturen behoren en dat ze moeten samenwerken en vreedzaam met elkaar moeten omgaan. Hij roept hen op om met de beste intenties met elkaar in discussie te gaan. Daarom toont Allah ons in de Heilige Koran hoe Hij zelf met Satan discussieerde (iblis) en met Adam en zijn vrouw. Allah geeft ons voorbeelden van de dialoog met ongelovigen, de mensen van het Boek en met profeten. De Heilige Koran toont ons voorbeelden van de monoloog van de profeten en de dialoog die plaatsvond tussen de profeten en hun volkeren.

  • (Allah) zeide: “Wat belette u, u te onderwerpen, toen Ik u (dat) gebood?” Hij antwoordde: “Ik ben beter dan hij. Gij hebt mij uit vuur en hem uit klei geschapen. * (Allah) zeide: “Verwijder u van hier – het is niet aan u, hier hoogmoedig te zijn. Ga heen, gij behoort stellig tot degenen, die vernederd zullen worden.” * Hij zeide: “Geef mij uitstel tot aan de Dag waarop zij zullen worden opgewekt.” *  (Allah) zeide: “U is uitstel verleend.” *  Hij antwoordde: “Welnu, daar gij mij liet dwalen zal ik hen voorzeker in de weg gaan zitten op Uw rechte pad.”*  “Dan zal ik mij gewis vóór hen en achter hen en van hun rechter en van hun linker zijde tonen en Gij zult de meesten hunner niet dankbaar vinden.”* . (Allah) zeide: “Ga heen, veracht en verworpen. Wie hunner u ook zal volgen, Ik zal voorzeker de hel met u allen vullen.”[1] [Al-Aa’raaf: 12-18]

Zie de subtiele grillen van iblis, zijn arrogantie, jaloezie, onwetendheid en racisme. Hij sloeg geen acht op het feit dat Allah de mens niet alleen uit klei heeft gemaakt, maar hem ook Zijn Geest heeft ingeademd en hem de aard van de dingen leerde en de namen van alles wat Hij schiep (ook talen) en de mens tot boven de engelen verhief, en dat Allah de mens eer bewees omdat hij de amana, vrijheid van keuze, accepteerde.

We zien ook dat het kwaad de aanval van alle kanten inzet met alle middelen van verleiding, en van elk zwak punt profiteert, zelfs van de goede voornemens van de mens en zijn genereuze sympathieën die kunnen worden gebruikt om de mens in de valstrikken van Satan te lokken.

We zien dat het bestaan van Satan of iblis in het aardse leven nodig is, zodat de mens zijn vrije keuze kan gebruiken. Wanneer er niets of niemand is om hem te verleiden en slechte dingen goed te laten lijken, mooi en aantrekkelijk, of omgekeerd: wanneer al het goede in deze wereld eruitziet zoals het werkelijk is, zal de mens nooit zijn verstand of zijn emoties gebruiken om onderscheid te maken tussen het goede en het slechte of tussen de goede weg en de verkeerde.

  • …. En hun Heer riep hen en zeide: “Verbood Ik u die boom niet en zeide Ik niet tot u: ‘Voorwaar, Satan is een openlijke vijand voor u’?”*  Zij antwoordden: “Onze Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan en als Gij ons niet vergeeft en ons niet genadig zijt, zullen wij zeker tot de benadeelden behoren. *  Hij zeide: “Gaat heen, sommigen uwer zullen de vijanden van anderen zijn. En er is voor u een verblijfplaats op aarde en een voorziening voor een bepaalde tijd.”* Hij zeide: “Gij zult daarop leven en sterven en gij zult daarvandaan worden opgewekt.” [ Al-Aa’raaf: 22-25]

Waarom zou er vijandschap moeten bestaan tussen mensen op aarde? Omdat dat het natuurlijke gevolg is van het feit dat sommige mensen Satan volgen en zo een hindernis vormen voor de missie van de bouw van een menselijke beschaving. Zulke mensen zijn de vijanden van de gelovigen die die missie volbrengen, en die de verantwoordelijkheid dragen voor het verwijderen van de obstakels die de werkzaamheden van de bouw van een vreedzame en veilige gemeenschap verhinderen.

  • Zij zeggen: “Zullen wij, wanneer wij dood zijn en tot beenderen en stof geworden, dan inderdaad weer worden opgewekt? * “Dit werd ons en onze voorvaderen ook beloofd maar het zijn slechts fabelen der ouden.” *  Zeg: “Wie behoort de aarde toe en al hetgeen daarop is, als gij het weet?” *  Zij zullen zeggen: “Aan Allah.” Zeg: “Wilt gij er dan geen lering uit trekken?” *  Zeg: “Wie is de Heer der zeven hemelen en de Heer van de Grote Troon?” *  Zij zullen zeggen: “Allah.” Zeg: “Wilt gij Hem dan niet tot uw Beschermer nemen?”*  Zeg: “Wie is het in Wiens hand de heerschappij over alle dingen is – en Die beschermt doch tegen Wie er geen bescherming is, – als gij het weet?” *  Zij zullen antwoorden: “Dit behoort aan Allah.” Zeg: “Waarom wordt gij dan misleid?” [Al-Mominoen: 82-89]
  • En zij zeggen: “Weest Joden of Christenen, dan zult gij worden geleid”. Zeg (hun): “Neen, maar (volg) de godsdienst van Abraham, de oprechte: hij behoorde niet tot de afgodendienaren”. *  Zegt: “Wij geloven in Allah en in hetgeen ons is geopenbaard en in hetgeen tot Abraham, Ismaël, Izaäk, Jacob en de stammen werd nedergezonden en in hetgeen aan Mozes en Jezus werd gegeven en in hetgeen aan alle andere profeten werd gegeven door hun Heer. Wij maken geen onderscheid tussen hen en aan Hem onderwerpen wij ons.[2] [Al-Baqarah: 135, 136]

Deze twee verzen (ayat) tonen dat de bron van alle religies één is: Allah. Daarom erkent de Heilige Koran alle religies én hun profeten zonder onderscheid tussen hen te maken. Allen zijn zij boodschappers van Allah aan de mensheid om haar op de rechte weg van Allah te leiden en haar te helpen bij het volbrengen van de missie van de ontwikkeling van een progressieve, constructieve menselijke beschaving. Moslims zullen daarom altijd met andere godsdiensten en culturen omgaan om met hen te discussiëren teneinde gemeenschappelijke gezichtspunten te bereiken en de twistpunten terzijde te leggen zodat zij niet de gezamenlijke inspanning verhinderen voor een allesomvattend welzijn voor alle volkeren.

  • En twist met de mensen van het Boek slechts op de goede wijze; doch zeg tegen de onrechtvaardigen: “Wij geloven in hetgeen ons is geopenbaard en hetgeen u is geopenbaard; en onze God en uw God is Eén; en aan Hem onderwerpen wij ons.” [3][Al-Ankaboet: 46]

De Heilige Koran draagt de mens op, vriendschappelijk en gemoedelijk van gedachten te wisselen met volgelingen van andere godsdiensten en culturen, en herinnert hem eraan, zich niet vijandig op te stellen; hun God is immers Eén en dezelfde: het is Allah, de Schepper van het hele universum, Die alle godsdiensten openbaarde.

  • En toen Abraham zeide: “Mijn Heer, toon mij, hoe Gij de doden tot leven opwekt.” Hij zeide: “Gelooft gij dan niet?” Hij zeide: “Ja, maar opdat mijn hart rustig zij.” Hij antwoordde: “Neem vier vogels en maak ze aan u gehecht. Zet dan ieder hunner op een heuvel; roep hen dan; ze zullen haastig tot u komen. En weet, dat Allah Almachtig, Alwijs is.[4] [Al-Baqarah: 260]

De mens kan volgens de Heilige Koran in discussie treden met Allah. Alhoewel Ibrahim een profeet was en Allah goed kende, wilde hij in de praktijk iets zien wat voor de mens moeilijk te geloven is, tenzij de mens onvoorwaardelijk in Allah gelooft, namelijk hoe de doden tot leven gewekt worden. Allah werd niet zo kwaad op hem dat Hij hem verdreef en hem van de profetie beroofde; maar Hij toonde hem – niet het proces van het tot leven wekken van de dode – , maar dat zoiets niet alleen mogelijk is, maar dat het heel makkelijk is voor Allah om te doen. De les die wij uit dit vers en andere verzen leren, is, dat wanneer Allah het accepteert om in twijfel getrokken te worden, hoe kan de mens weigeren om in twijfel te worden getrokken? Argument, debat en dialoog, niet gevecht en oorlog, zijn de beste middelen van interactie tussen de verschillende culturen.

  • Zo toonden Wij Abraham het koninkrijk der hemelen en der aarde, opdat hij tot de vastgelovenden zou behoren.* En toen de nacht over hem kwam, zag hij een ster. Hij zeide: “Dit is mijn Heer.” Maar toen zij onderging, zeide hij: “Ik heb de dingen, die ondergaan niet lief.” *  En toen hij de maan zag glanzen, zeide hij: “Dit is mijn Heer.” * Maar toen zij onderging zeide hij: “Had mijn Heer mij niet geleid dan zou ik zeker tot het dwalende volk behoren.” * En toen hij de zon zag stralen zeide hij: “Dit is mijn Heer. Dit is de grootste” Maar toen zij onderging, zeide hij: “O, mijn volk, ik heb niets uitstaande met uw afgoden.” * “Ik heb mijn aangezicht oprecht gewend tot Hem, Die de hemelen en de aarde schiep en ik behoor niet tot de afgodendienaren.”[Al-An’aam: 75-79]

Deze verzen vestigen de aandacht van de mens op het feit dat hij moet nadenken over alles wat hij om zich heen ziet of voelt en dat hij door dit overwegen de Waarheid ziet, terwijl hij nadenkt en met zichzelf in discussie gaat. Hij moet voor zichzelf tot een besluit komen zonder enige druk van buitenaf, of door onderdrukking. Hij moet zijn eigen besluiten nemen door middel van vrije wil en keuze.

  • Toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: “Wat aanbidt gij?” * Zeiden zij: “Wij aanbidden (onze) goden en wij zullen hun toegewijd blijven.” *. Hij zeide: “Horen zij u als gij hen aanroept? * Baten of schaden zij u?” * Zij antwoordden: “Maar wij vonden dat onze vaderen hetzelfde deden.” * Hij zeide: “Ziet gij dan, wat gij aanbidt, * Gij en uw voorvaderen? * Zij zijn vijanden van mij behalve de Heer der Werelden, *  Die mij heeft geschapen en Hij is het, Die mij leidt; * En Die mij voedsel en drank geeft.* En Die mij geneest wanneer ik ziek ben;* En Die mij zal doen sterven en daarna weer tot het leven terugroepen. * En Die, hoop ik, mij mijn tekortkomingen zal vergeven op de Dag des Oordeels.” [Asj-Sjoaraa: 70-82][5]

Deze verzen bevestigen het feit dat de mens niet domweg ouders en voorouders moet imiteren, of zijn tijdgenoten, zonder zijn verstand te gebruiken. Hij moet zijn beslissingen uit eigen vrije keuze maken. Zij tonen aan dat de Heilige Koran staat op het volgen van de methode van dialoog en argumentatie voor het bereiken van de Waarheid.

 


[1] zie ook [al-Israa: 61, 63-65], [al Hidjr: 39-41]
[2] zie ook de soera’s en verzen: [Al-Baqarah: 170],[Az-Zochrof: 20-24].

[3] zie ook [al-Imraan: 64]
[4] zie ook: [Taa Haa: 40-73]
[5] zie ook [Hoed: 32-35], en [al-anmbi’jaa: 51-64]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.

Close