De Bedevaart

Het einde van de rituelen van de bedevaart

Ten eerste: het einde van de rituelen van de bedevaart door uit de gewijde staat te gaan.

Het is in twee stadia:

  1. Het eerste uit de gewijde staat gaan: het volbrengen van twee van de drie taken:
    Het gooien naar de zuil ‘Aqaba, het scheren en de rondgang (al-ifada). Alle verboden van de gewijde staat zijn weer toegestaan behalve de vrouw. Het tijdstip om deze drie taken uit te voeren is bij het ochtendgloren van de dag al-Nahr (of middernacht volgens de Shafi’ieten).
  2. Het tweede uit de gewijde staat gaan: het volbrengen van de derde taak, alles is weer toegestaan  tot en met de vrouwen. Deze uit de gewijde staat gaan wordt volbracht op de dag al-Nahr. De bedevaartganger volbrengt de rituelen in Mina en terwijl hij niet meer in de  gewijde staat is.

Ten tweede: de aantasting van de bedevaart:

De bedevaart wordt aangetast niet na het begin behalve wegens één reden en dat is gemeenschap hebben. Als voorwaarde dat het plaatsvindt voor de beëindiging van de taken van de kleine bedevaart (bij tamattu’) en voor de eerste uit de gewijde staat gaan (bij ifraad en qiraan).

In deze zaak is het volgende verplicht voor bij wie de bedevaart of de kleine bedevaart vervalt:

  1. Het volbrengen van de ceremonies: hij gaat niet uit de gewijde staat voordat het volbracht is {En volbrengt voor God de bedevaart en het bezoek}(al-Baqara: 196).
  2. Onmiddellijke terugkeer naar de groep als het ritueel verplicht is. De terugkeer is verplicht als het ritueel een extra, niet verplichte handeling was volgens de Shafi’ieten, omdat een vrijwillige handeling bij hen leidt tot een na te komen verplichting.
  3. Hij is verplicht een offerkameel te slachten. Voor degene die gemeenschap heeft met zijn vrouw terwijl zij in de gewijde staat zijn, volgens de woorden van de Gezant (vrede zij met hem): “haal jullie rituelen in, of slacht een offerdier en keer vervolgens terug …en jullie zijn verplicht een andere bedevaart uit te voeren…” (Overgeleverd door al-Baihaqi).

Te derde: het voorbijgaan van de bedevaart:

De bedevaart is voorbij nadat het staan op Arafa voorbij is. Dat is bij de opkomst van de dageraad op de dag van al-Nahr voor de aanwezigheid op ‘Arafa. Als het voorbijgaat met een excuus is het geen zonde.

Voor wie het staan op ‘Arafa voorbij is gegaan het volgende:

  1. Het is verplicht uit de gewijde staat te gaan bij de taken van de kleine bedevaart. Het gooien is niet verplicht en het verblijven in Mina ook niet, omdat dat hoort bij de eigenschappen van het staan op ‘Arafa.
  2. Het onmiddellijk verrichten van de bedevaart in het komende jaar als de afgelopen bedevaart verplicht was met overeenstemming. Als het vrijwillige (extra) was dan ook volgens de Shafi’ieten.

Ten vierde: ihsaar:        

Ihsaar is het belemmeren van de bedevaartganger om de rondgang bij de kleine bedevaart te volbrengen. En om het staan (wuquf) op ‘Arafa te voltooien, of de rondgang (al-ifada) tijdens de bedevaart.

De meeste geleerden zijn van mening dat ihsaar plaatsvindt bij alles wat de bedevaartganger tegenhoudt om bij het Huis te komen. Volgens de Malikieten en de Shafi’ieten is er geen ihsaar behalve de vijand.

Het is toegestaan voor de verhinderde om uit de gewijde staat te gaan en de verplichting is als volgt:

  1. Het slachten van een offerdier, het minste is een schaap, volgens de meeste. Of een koe of een kameel volgens de woorden van de Verhevene: {…als jullie verhinderd zijn, brengt dan zoveel offergave als gemakkelijk is…} (al-Baqara: 196).
  2. Volbreng de slacht op de heilige plaats, waar men uit de gewijde staat gaat.
  3. Het inhalen is niet nodig voor hem, behalve als het een bedevaart van de islam was.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.

Close