De Bedevaart

De zuilen van de bedevaart, de verplichtingen en de gebruiken

Wij zullen ons in dit hoofdstuk beperken tot de studie over de onderdelen van de bedevaart, de verplichtingen en de speciale goede gebruiken. Wat de verboden van de bedevaart betreft dat zijn de verboden voor  degene in de gewijde staat.

Het onderdeel en de verplichtingen zijn beiden vereist met dwang. Het verschil tussen hun beide is dat het laten van een van de onderdelen leidt het tot het voorbij gaan van de bedevaart. Wat het laten van de verplichtingen betreft, misschien wordt men gedwongen tot een vervangende plicht. Wij verzamelden de onderdelen van de bedevaart met de verplichtingen in het eerste hoofdstuk, kijkend naar de meningen van de rechtscholen en hun verschillen.

Ten eerste: de gewijde staat (ihraam):

Dat is een onderdeel volgens de meerderheid en onder hen zijn de Hanafieten. Zij zeggen: het is een voorwaarde voor de geldigheid van de bedevaart. Er is een gedetailleerde traditie in omloop bij een onafhankelijke studie.

Ten tweede: het staan op ‘Arafa:

Dat is het belangrijkste onderdeel van de bedevaart volgens de meerderheid. Volgens de woorden van de Gezant (vrede zij met hem): “de bedevaart is ‘Arafa”. Overgeleverd door Ahmad en de metgezellen van de Sunan. En heel ‘Arafa is een standplaats, tot aan de bodem van de wadi van ‘Arafa. Het staan is aanwezig zijn ook al is het maar een paar tellen. Het tijdstip begint bij het middaguur van de 9e dag van de maand Dhu’l-Hidja. Het middaguur duurt tot het ochtendgloren van de 10e dag. Het is verplicht te staan na de zonsondergang, waar de nacht en de dag samengevoegd worden.

Onder de goede gebruiken is het wassen. Het is aanbevelenswaardig te staan bij de rotsen waar de Gezant Gods (vrede zij met hem) stond. En bij de goede manieren behoren het rein blijven, het richten naar Mekka, Gods naam herhalen, bidden voor de profeet (vrede zij met hem), het nalaten van kletspraat en vijandigheden en het afwenden van de wereldse beslommeringen. De Gezant (vrede zij met hem) eindigde het vasten op ‘Arafa, omdat het een feestdag is en om de bedevaartgangers te sterken in het herhalen van Gods naam en de smeekbedes uit te voeren.

En onder de goede gebruiken is het dat de bedevaartganger het middaggebed en het namiddaggebed samenvoegt voorafgaand aan ‘Arafa met één gebedsoproep en twee gebedsaankondigingen met de imam. Dat is het beste zonder vrijwilliger gebeden.

Ten derde: de rondgang (al-ifada):

Het  tweede onderdeel van de bedevaart waar geen verschil van mening over bestaat. Het wordt de (rondgang al-rukn)  en de rondgang al-ziyara genoemd. Het is één van de vier zaken (het gooien, het slachten, het scheren of korter maken en de rondgang) op de dag al-Nahr –de 10e van de maand Dhu’l-Hidja- waarmee de gewijde staat volbracht is. Het is de bedevaartganger toegestaan alle verboden van de gewijde staat uit te voeren behalve de vrouwen.

De rondgang (al-ifada) heeft, zoals de andere rondgang, voorwaarden, verplichtingen en goede gebruiken, en dat zijn:

Voorwaarden voor de rondgang:

  1. Rein zijn van kleine en grote onreinheid. Dit volgens de Gezant (vrede zij met hem) die tegen ‘Aisha zei, toen zij menstrueerde: “…voer uit wat men tijdens de bedevaart uitvoert en doe pas de rondgang om het huis als je rein bent”. Overgeleverd door Muslim.
  2. Het bedekken van de ‘awra, volgens de woorden van Abu Huraira over Abu Bakr op zijn bedevaart, waartoe de Gezant Gods (vrede zij met hem) hem bevolen had voor de afscheidsbedevaart, uit een groep mensen om een aankondiging te doen op de dag al-Nahr: “na dit jaar mogen polytheïsten niet op bedevaart en naakte mensen mogen de rondgang om het huis niet maken”.

Verplichtingen van de rondgang:

  1. Het plaatsvinden op de rechtmatige plaats buiten het Huis. Als je de rondgang doet om hijr Ismaël is het niet geldig, omdat hijr Ismaël een deel van het Huis is, omringd door een omheining in de vorm van een halve cirkel ten noorden van de Ka’ba.
  2. Het plaatsvinden in de rechtmatige periode. De rondgang (al-ifada) begint bij de opkomst van het ochtendgloren op de dag al-Nahr en het einde is niet begrensd. Het beste is het te doen op de dag al-Nahr, omdat dat naar voorbeeld van de profeet is. Vervolgens de dagen van tashriq, als het later is dan is men volgens de Hanafieten verplicht te offeren.
  3. Het zijn zeven volledige die beginnen bij de zwarte steen en eindigen bij hem.
  4. Het houden van het Huis aan de linkerkant.
  5. De rondgang doet men lopend, behalve als er een excuus is dan is het toegestaan de rondgang rijdend of gedragen te doen.
  6. Twee gebedsdelen van de rondgang zijn verplicht volgens de Hanafieten en de Malikieten. En het reciteren van de sura al-Kafirun, en daarna de sura al-Ikhlaas.

De goede gebruiken voor de rondgang:

  1. De idtheba’(het bedekken van het hele lichaam, behalve de rechterarm en schouder) voor mannen: het bloot laten van de rechter schouder, het hebben van het midden van de kleding onder de rechter oksel en het draaien van de zijden over de linker schouder.
  2. Het versnellen voor mannen: het versnellen van het lopen met kleine pasjes in de eerste drie delen, vervolgens lopen in de vier andere delen.
  3. Het aanraken van de zwarte steen en het kussen indien mogelijk in het begin van de rondgang en in ieder deel. Het wijzen terwijl men zegt: “in de naam van God, God is de grootste, lof zij God. Wij geloven in U, vertrouwen op Uw boek, trouw aan uw Koninkrijk, wij volgen de goede gebruiken van onze heer Mohammed, vrede zij met hem) volstaat.
  4. Het aanraken van de linker hoek die voor de hoek van de zwarte steen komt. Raken is het strijken met de hand.
  5. Een veelvoud aan smeekbedes, het herhalen van de naam van God en vergeving vragen. Het is noodzakelijk zichzelf te beperken tot de geschreven smeekbedes of de smeekbedes uit de gids voor bedevaartgangers in Mekka. Wat vermeld is aan smeekbedes gedurende de rondgang: lof zij God, geprezen zij de Heer, er is geen God dan God, God is de Grootste, er is geen kracht noch macht dan die van God. Overgeleverd door Ibn Maajah. Bij de linker hoek: ”onze Heer geef ons op de wereld het goede en in het hiernamaals het goede en behoed ons voor de bestraffing van het vuur”. Overgeleverde door Abu Daawud.
  6. Het continueren tussen de zeven delen, onderbreek het niet, behalve als men een excuus heeft, zoals bij het uitvoeren van het beschreven gebed. Als men de rondgang onderbreekt om bij de groep te blijven vervolgens voltooit hij de rondgang daarna.

Ten vierde: het heen en weer lopen tussen Safa en Marwa

  • Het is één van de onderdelen van de bedevaart volgens de Malikieten, Shafi’ieten en de Hanbalieten. In één van de twee uitspraken erover. Wie het nalaat maakt zijn bedevaart ongeldig en kan het niet ongedaan maken door te offeren. Wat ‘Aisha (moge Allah tevreden zijn over haar) zei: “men volbrengt niet voor God de bedevaart, als men niet heen en weer loopt tussen Safa en Marwa”. Overgeleverd door Muslim. Zo wijst ook uit wat Habiba bint Abu Tidjara zei over de Gezant Gods (vrede zij met hem), hij zei terwijl hij heen en weer liep tussen Safa en Marwa: “loop heen en weer tussen Safa en Marwa als God jullie het heen en weer lopen voorschrijft”. Overgeleverd door al-Daraqutni.
  • Abu Hanifa bepaalde dat het heen en weer lopen verplicht is. Als hij het laat is het offeren verplicht en dan verbreekt hij de bedevaart niet. Sahib al-Mughni (van de Hanbalitische rechtschool) vindt deze mening aannemelijk, omdat het bewijs erop wijst dat het een onderdeel is  en niet meldt dat het een verplichting is.

Voorwaarden voor het heen en weer lopen tussen Safa en Marwa:

  1. Het is na de rondgang, of het nu de rondgang (al-ifada) is, of de rondgang (al-qudum). Als men heen en weer loopt vóór de rondgang is men verplicht te offeren volgens de Hanafieten.
  2. Er zijn geen voorwaarden met betrekking tot het rein zijn, maar het is gewenst bij de meeste rituelen.

Verplichtingen bij het heen en weer lopen tussen Safa en Marwa:

  1. Het zijn zeven delen, beginnend bij Safa en eindigend bij Marwa (als je het tegenover gestelde doet is het offeren verplicht volgens de Hanafieten).
  2. Het volbrengen van de bekende afstand, een lengte van ongeveer420 meter, volgens hetgeen de Gezant Gods (vrede zij met hem) deed en hij zei: “neem van mij jullie rituelen”.

De goede gebruiken bij het heen en weer lopen tussen Safa en Marwa:

  1. Het beklimmen van Safa, vervolgens in de richting van Mekka gaan staan en zeggen: “er is geen God dan God, Hij heeft geen metgezellen, aan Hem is het koninkrijk, aan Hem is de lof, Hij beslist over alles”. Overgeleverd door Muslim.
  2. Het lopen in het begin van het heen en weer lopen tot men de groene helling bereikt, hol dan naar de tweede groene helling, vervolgens doorgaan met lopen tot men Marwa bereikt (beklim het en doe zoals je deed in Safa), overgeleverd door Muslim. Voor de mensen die een excuus hebben is het toegestaan dit rijdend te doen.
  3. Het continueren van het heen en weer lopen. Tussen dat en de rondgang, als het afgebroken wordt voor het gebed, het reinigen of andere zaken, keer terug om het af te maken.
  4. Veelvoud aan smeekbedes doen en het herhalen van de naam van God, het reciteren uit de Koran en de uitspraken van de Gezant (vrede zij met hem) toen hij heen en weer liep: “O Heer, vergeef, heb genade, leid mij de goede weg”. En: “O Heer, vergeef, heb genade, U bent de grootste en de heiligste”.

Ten vijfde: scheren of korter maken:

Dat is een van de vijf onderdelen van de bedevaart volgens de Shafi’ieten. Wat de meerderheid betreft is het één van de verplichtingen van de bedevaart.

Het scheren is het verwijderen van haar met een scheermes. Het korter maken is het afknippen van het haar zonder dat het verwijderd wordt. De Verhevene zei: {Jullie zullen als God het wil de heilige moskee met geschoren hoofden en bijgeknipt veilig binnengaan…} (al-Fath: 27). Het scheren is beter dan het afknippen bij mannen en dat volgens de woorden van de Gezant (vrede zij met hem): “God wees de geschoren mensen barmhartig”. Zij zeiden: “en de mensen met geknipt haar?” Hij zei: “God wees de geschoren mensen barmhartig”. Zij zeiden: “en de mensen met geknipt haar, Gezant van God?” Hij zei: “en de mensen met geknipt haar”. Allen waren het eens.

Voor de vrouwen is het knippen van het haar uitgevaardigd, omdat het in hun zaak vergelijkbaar is met scheren. Volgens de woorden van Ibn ‘Abbaas over de Gezant Gods (vrede zij met hem): “de vrouwen hoeven zich niet te scheren, want knippen is voor de vrouwen”. Uitgegeven door Abu Daawud met een goede keten van overleveraars.

Het minste van het scheren is het verwijderen van drie haren of enkele, op welke manier dan ook. Het tijdstip is na het gooien naar de zuil ‘Aqaba en in de dagen al-Nahr. Het is toegestaan om het na de dagen al-Nahr te doen volgens de Shafi’ieten. Het geniet de voorkeur bij een kale schedel een scheermes over het hoofd te halen.

Ten zesde: het staan in Muzdalifa:

Dat is een verplichting van de bedevaart, iedereen is het erover eens.

Volgens Imam Ahmad is het een vereiste om in Muzdalifa te verblijven, volgens de rest van de imams is het staan, het aanwezig zijn, het overnachten of het voorbij gaan voldoende.

Het tijdstip voor het staan is na ‘Arafa en voor het ochtendgloren van de dag al-Nahr.

Het is een goed gebruik om het ochtendgebed te bidden in het begin, vervolgens te staan bij al-Mash’ar al-Haraam tot het helemaal licht wordt. Herhaal vaak de naam van God en doe smeekbedes als de zon opkomt en vertrek dan naar Mina.

En heel Muzdalifa is een standplaats tot aan de wadi Muhassir (die ligt tussen Muzdalifa en Mina).

Bij wie het staan in Muzdalifa voorbijgaat zonder excuus, is het offeren verplicht. Het is verplicht om een deel van de halve volgende nacht te blijven volgens de Shafi’ieten.

Ten zevende: het gooien:

De geleerden komen overeen dat het gooien naar de zuilen één van de verplichtingen van de bedevaart is. En wie dat nalaat moet offeren. Dit omdat de Gezant Gods (vrede zij met hem) dat deed terwijl hij zei: “neem van mij jullie rituelen, want ik weet niet of ik nog een bedevaart doe na deze bedevaart van mij”. Overgeleverd door Muslim, al-Nasaa’i en Ahmad.

De djamaar: de verzameling van zuilen, de plaats van het gooien wordt djamra genoemd, waar de (kiezel)stenen verzameld worden.

Er zijn drie zuilen waarnaar die gegooid moet  worden:

  1. De djamra ‘Aqaba: dat is de grootste zuil en staat achter Mina in de richting van Mekka.
  2. De middelste djamra: staat ervoor in de richting van Mina.
  3. De kleinste djamra: de eerste zuil op de weg die leidt van Mina naar Mekka.

De voorwaarden voor de geldigheid van het gooien en de verplichtingen:

  1. Als het werpen is, al is het maar een beetje en dat het gegooid wordt met de hand.
  2. Dat het gegooide een steen is (volgens Abu Hanifa is het gooien toegestaan met alles wat van de aarde komt, zoals grond, aarde, klei en andere zaken…).
  3. Het gooien naar alle zuilen met zeven stenen, één voor één. Al gooit hij twee stenen samen, dan geldt het als één worp.
  4. De gooier heeft een doel en raakt het.
  5. De volgorde van het gooien naar de zuilen tijdens de drie dagen van tashriq. De kleinste, dan de middelste, dan de djamra ‘Aqaba en dat is volgens de meerderheid (volgens de Hanafieten is de volgorde Sunna).

De goede gebruiken voor het gooien:

  1. De gooier nadert tot een afstand van vijf el.
  2. Het richten naar Mekka gedurende het gooien behalve bij de djamra ‘Aqaba op de dag al-Nahr.
  3. Het continueren van de zeven worpen.
  4. De steen van de gooier heeft de grote van een hazelnoot, het is afkeurenswaardig te gooien met een grote steen.
  5. Stil staan na het gooien bij elke steen en zeggen: “in de naam van God en God is de Grootste, God laat Zijn Belofte waarheid worden en Zijn Dienaar overwinnen, laat Zijn Strijder Groots zijn, en laat hem in zijn eentje de groepen verslaan. Er is geen God dan God, wij aanbidden niemand behalve Hem toegewijd aan Hem, het geloof, als de ongelovigen zich afkeren”.
  6. Stil staan na het gooien naar elke zuil als het gevolgd wordt door het op het gooien naar een andere zuil. Het aanroepen van God met alles wat hij wil, behalve na het gooien naar de djamra ‘Aqaba, dan staat men niet stil.

De dagen van het gooien, de tijdstippen en het aantal:

De vier dagen voor het gooien zijn:

  1. De dag al-Nahr, de 10e van de maand Dhu’l-Hidja. Dan is het verplicht naar de djamra ‘Aqaba te gooien met zeven kiezels. Het wenselijke tijdstip is van zonsopgang tot het middaguur. De Gezant God (vrede zij met hem) gooide naar de djamra ‘Aqaba tijdens de dageraad op de dag al-Nahr. Het gooien tussen het middaguur en de zonsondergang is toegestaan, maar niet wenselijk. Een man zei tegen de Gezant Gods (vrede zij met hem) op de dag al-Nahr: “ik gooide nadat de avond was gekomen”. Hij zei: ”toe maar”. Overgeleverd door al-Bukhaari. Als hij verlaat is tot na de zonsondergang, dan gooit hij in de nacht volgens de meerderheid. Volgend de Hanbalieten moet hij de volgende dag gooien bij de zonsopkomst en er is geen offer nodig. Volgens de Shafi’ieten is het gooien naar de djamra ‘Aqaba toegestaan vanaf middernacht van de dag al-Nahr. Dat is volgens de andere rechtscholen alleen toegestaan voor mensen met een excuus. De Gezant Gods (vrede zij met hem) verleende daarvoor toestemming aan de verzorgers van de kamelen. Zoals hij toestemming verleende aan ‘Umm Salma en zij gooide voor het ochtendgloren. (Overgeleverd door Abu Daawud en al-Baihaqi).
  2. De dagen van tashriq: dat zijn de drie dagen na de dag van al-Nahr. 11, 12  en 13 van de maand al-Dhu’l-Hidja. Het is toegestaan voor wie wil versnellen het in te korten tot twee dagen. Als je het gooien naar de zuilen beëindigt op de tweede dag van de tashriq (12e van de maand al-Dhu’l-Hidja) richt je naar Mekka en dat is de eerste dag van vertrek. Maar als de dageraad opkomt op de derde dag, 13e van de maand al-Dhu’l-Hidja, zonder dat hij vertrokken is uit Mina, dan is het verplicht te gooien op de tweede dag en vervolgens te vertrekken naar Mekka en dat is het tweede vertrek. De Verhevene zei: {…Als iemand het haastig in twee dagen doet, dan is dat voor hem geen vergrijp en als iemand het langzamer doet, dan is dat voor hem ook geen vergrijp, als hij maar godvrezend is…} (al-Baqara: 203).

Het in de drie tashriq dagen is het gooien naar de drie zuilen verplicht in de volgorde die we vermeld hebben in de goede gebruiken van het gooien: de kleine, vervolgens de middelste en dan de djamra ‘Aqaba. Gooi naar elk van hen, elke dag met zeven steentjes.

Het gewenste tijdstip om te gooien is tussen de zonsopkomst en de zonsondergang. Als men te laat is, is het met afkeuren toegestaan om te gooien in de nacht tot de zon opkomt de volgende dag.

Volgens Abu Hanifa is het gooien toegestaan op de drie dagen van tashriq voor de zonsopkomst.

Voor wie iets van het gooien niet heeft gegaan als de dagen van tashriq voorbij zijn, is het offeren verplicht.

Ten achtste: de overnachting in Mina:

Het overnachten van drie nachten in Mina, of twee nachten voor wie wil haasten. Voor wie het nalaat is offeren verplicht volgens de drie imams. Het overnachten vervalt voor degene met een excuus. De gezant Gods (vrede zij met hem) verleende toestemming aan ‘Abbaas om de nachten van Mina in Mekka door te brengen ten behoeve van de waterbevoorrading (overgeleverd door al-Bukhaari). Op die manier werd ook toestemming gegeven aan de herders (overgeleverd door de metgezellen van de Sunan).

Het offeren is van Mina tot Mekka de tweede of derde dag van tashriq voor de zonsondergang volgens de drie imams. Het is toegestaan (met afkeuren) vanaf de zonsondergang tot het ochtendgloren bij de Hanafieten.

Ten negende: rondgang van het afscheid:

Het wordt zo genoemd, omdat het begint bij het afscheid van het Huis. Het wordt ook wel tawaaf al-sadr genoemd. En dat is de rondgang zonder versnelling. Dat is verplicht volgens de meerderheid en het nalaten ervan verplicht tot een offer brengen. Dit volgens de zijn woorden (vrede zij met hem): “Haasten jullie niet totdat de laatste verplichting bij het Huis is voldaan”. Overgeleverd door Muslim. De Malikieten zijn van mening dat het een goed gebruik is en het nalaten ervan men tot niets verplicht. Het is minder zwaar gemaakt voor de menstruerende vrouw (zoals in al-Bukhaari).

Het tijdstip na de afronding van alle taken is om de laatste verplichtingen bij het Huis te voldoen. Het is niet toegestaan daarna met iets bezig te zijn, behalve met zaken die nodig zijn voor onderweg of het kopen van onmisbare proviand. Als hij later zal afreizen dan moet hij terugkeren.

Ten tiende: het offerdier:

Dat is wat men offert van het vee bij de heilige plaatsen om nader tot God (Hij zij Groots en Verheven) te komen. Het vee of de veestapel dat zijn: kamelen, koeien en schapen. Het is toegestaan vrouwtjes en mannetjes te offeren, dat is gelijk. De Verhevene zei: {…En de offerkamelen hebben Wij voor jullie tot Gods gewijde symbolen laten behoren. Daarin is (allerlei) goeds voor jullie…}(al-Hadj: 36). De offerkamelen zijn kamelen verzameld om te offeren.

Het minste dat men moet uitdelen van de offerdieren is één schaap, 1/7e kameel of 1/7e koe.

Een offerkameel is verplicht voor degene die de rondgang onrein, menstruerend of met een postnatale bloeding doet en voor wie gemeenschap heeft terwijl hij in de gewijde staat verkeert, en voor wie een gelofte heeft afgelegd.

De soorten:

Het offerdier is er in twee soorten:

  1. Wenselijk voor wie alleen de bedevaart of de kleine bedevaart  doet.
  2. En verplicht in de volgende gevallen:
  • De bedevaartganger (qiraan)
  • De bedevaartganger (tammatu’)
  • Wie één van de verplichtingen van de bedevaart nalaat
  • Wie één van de verboden van de gewijde staat begaat

Voorwaarden van het offerdier:

  • Het moet een tweede zijn, dat wil zeggen degene die het tweede jaar bereikt. De kameel moet  vijf jaar zijn, de koe moet twee jaar zijn en de geit één jaar. Wat het schaap betreft, die moet minstens zes maanden oud zijn.
  • Het moet vrij van gebreken zijn, het is wenselijk om de beste te kiezen

Het tijdstip, de plaats en de manier van de slacht:

  • Het is wenselijk een kameel te slachten terwijl hij staat en wordt vastgehouden met de linkerhand. De koe en het schaap worden geslacht terwijl ze liggen. Het tijdstip van de slacht is de dag al-Nahr en de dagen van tashriq, ongeacht of het offeren verplicht of aanbevolen is. Als het tijdstip van het slachten van het offerdier voorbij is gegaan, dan is het verplicht dit in te halen.
  • De plaats van de slacht: de heilige plaatsen. Volgens de woorden van de Verhevene: {…en daarna vinden zij hun bestemmin (om geslacht te worden) bij het aloude Huis…}(al-Hadj: 33). Het beste voor de bedevaart is het slachten in Mina en voor de kleine bedevaart is dat het slachten in Marwa, omdat het de plaats is die voor elk van hen is goedgekeurd.

Andere regels met betrekking tot de offerdieren:

  1. Het is toegestaan de vrijwillig geofferde dieren te eten, met overeenstemming van de geleerden volgens de woorden van de Verhevene: {eet daar dan van en voedt…}(al-Hadj: 28).
  2.  Volgens de Hanafieten en de Hanbalieten is het toegestaan de verplicht geofferde dieren (wegens de tammatu’of de qiraan) te eten.
  3. Het eten van het hele offerdier is toegestaan, ook als het een vervangende plicht was voor het kwade. De jager of het geslachte moet uitgedeeld worden aan de armen volgens de Malikieten. Het is toegestaan het verplichte offerdier vanwege het begaan van één van de verboden in de gewijde staat (ihraam) of het verstrijken van de bedevaart.
  4. Als het hem is toegestaan, dan is het aanbevelenswaardig te eten, te offeren en uit te delen aan de armen.
  5. Het is aanbevelingswaardig om zelf te slachten of het slachten te aanschouwen. Het is niet toegestaan de slager loon te geven voor het slachten van een offerdier. Het is wel toegestaan een deel ervan aan hem te geven.

 Ten elfde: andere goede gebruiken van de bedevaart:

  1. De rondgang bij de aankomst zonder tammatu’ of kleine bedevaart. Zij beginnen met de rondgang van de kleine bedevaart. Voor de mensen die de ifraad of de qiraan doen is het goed om de rondgang bij aankomst (qudum) te doen. Het tijdstip ervoor is als men in Mekka aankomt. De eigenschappen zijn dezelfde als bij de rondgang (al-ifada), behalve dat er geen idtheba’ is (het bedekken van het hele lichaam, behalve de rechterarm en schouder), niet het versneld lopen en niet de verplichting om daarna heen en weer te lopen tussen Safa en Marwa.
  2. Het drinken van het water uit de Zamzam na de rondgang en het gebed. Het wordt bevestigd in twee geldige (uitspraken) van de Gezant Gods (vrede zij met hem): “het is gezegend”. Het is naar voorbeeld van de Profeet (vrede zij met hem) voor de drinker de intentie tot genezing te hebben en dergelijke. Hij (vrede zij met hem) zei: “het water van de Zamzam is voor wie het drinkt”. Wend in de richting van Mekka en drink drie slokken en slik het door – het dorstlessen- en dank God.
  3. De preken van de bedevaart: het zijn vier gegeven door de imam:De eerste: de 7e dag van de maand Dhu’l-Hidja na het middaggebed in de Ka’ba
    De tweede: de dag van ‘Arafa bij Namira voor het middaggebed.
    De derde: de dag al-Nahr in Mina na het middaggebed.
    De vierde: de eerste dag van het slachten in Mina, na het middaggebed.
  4. Het verblijven in Mina in de nacht van ‘Arafa. Het hoort tot de goede gebruiken als men van Mekka naar Mina gaat op de dag van al-Tarwiyya op de 8e van de maand Dhu’l-Hidja, na de zonsopkomst, in Mina het middaggebed, het namiddaggebed, het avondgebed, het late avondgebed en het ochtendgebed te bidden.
  5. De veelvoud aan gebeden in de Ka’ba, de rondgang elke keer als men binnen gaat, omdat de rondgang het begroeten is.
  6. Het overnachten in de wadi Muhassab of al-Batha (tussen de bergen al-Nur en al-Hadjun) tijdens het wegspoeden van Mina tot Mekka. In deze plaats hebben de polytheisten een verdrag gesloten over een boycot tussen Bani Hashim en Bani al-Muttalib, tot zij zich bekeerden bij de Gezant Gods (vrede zij met hem). Hij had de wens om de rituelen van de islam te laten zien, daar waar de rituelen van de ongelovigen nog aanwezig waren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.

Close