De Bedevaart

De vastgestelde plaatsen en de gewijde staat (ihraam)

De vastgestelde plaatsen

Dat zijn twee soorten:

Ten eerste: de plaatsen in tijd

Dat zijn de tijden waarop het goed is iets te doen aan rituelen van de bedevaart. De Verhevene zei:{voor de bedevaart zijn de maanden bekend} dat wil zeggen de tijd van activiteiten van de bedevaart in de vastgestelde maanden. De schriftgeleerden zijn het met elkaar eens dat de maanden van de bedevaart Shawwaal (10e maand), Dhu’l-Qa’da (11e maand) en tien dagen van Dhu’l-Hidja (12e maand) zijn. Imam Malik beschouwt de maand Dhu’l-Hidja in zijn geheel als één van de bedevaartmaanden.

De gewijde staat (ihraam) van de bedevaart aannemen vóór het begin van de maanden van de bedevaart is geldig maar wel met afkeuren van de meeste schriftgeleerden.

Ten tweede: de vastgestelde plaatsen bij Mekka

Dat zijn de vastgestelde plaatsen waar het niet is toegestaan voor de bedevaartganger  om ze te passeren zonder de gewijde staat aan te nemen. De Gezant Gods (vrede zij met hem) stelde het vast in een traditie van Ibn ‘Abbaas dat hij voor de inwoners van Medina, Dhu al-Hulaifa bepaalde, voor de inwoners van het noorden (Syrië) werd dat al-Djuhfa. Voor de inwoners van Najd: Qarn al-Manaazil en voor de inwoners van Yemen: Yalamlam. En hij zei: “dit is voor hen en voor ieder ander die er langs komt met de bedoeling de (kleine) bedevaart te doen”. Overgeleverd door de vijf (geleerden).

Dhu al-Hulaifa: een plaats dicht bij al-Medina al-Munawwara (ongeveer10 kilometer) op de weg naar Mekka.450 kilometervan Mekka verwijderd. Er is een put die “de put van ‘Ali” wordt genoemd.

al-Djuhfa: is 157 kilometervan Mekka verwijderd. De vestiging is zo goed als verdwenen, de bedevaartgangers nemen vandaag de dag de gewijde staat aan in Rabigh en dat is204 kilometerverwijderd van Mekka.

Qarn al-Manaazil: een berg ten oosten van Mekka,94 kilometerervan verwijderd.

Yalamlam: een berg ten zuiden van Mekka,54 kilometerervan verwijderd.

En als de bedevaart niet langs een van deze plaatsen gaat dan moet men de gewijde staat aannemen in een plaats dichtbij de vastgestelde plaatsen zoals de grens van ‘Umar voor het volk van Irak, omdat het bij een plaats is, Qarn al-Manaazil, die94 kilometeris verwijderd van Mekka aan de noordoostelijke kant.

De gewijde staat (ihraam)

Ten eerste: de definitie ervan en rechtsregel erover:

Ihraam is het aannemen van de gewijde staat voor de bedevaart. Het moet worden gerealiseerd met de intentie. De plaats van de intentie is het hart, maar het is aanbevelenswaardig om het uit te spreken door te zeggen: “Ik heb de intentie ….zo en zo….”. Als hij de intentie heeft gedaan zonder de specifieke manier te benoemen (ifraad, qiraan of tamattu’), dan is zijn gewijde staat wel geldig, maar moet hij moet alsnog de manier benoemen om de rest van de daden te kunnen uitvoeren. De gewijde staat is geldig als men als groep een staat heeft aangenomen maar de leider heeft een andere. Dit is zelfs als ze niet weten welke intentie (manier) hij heeft uitgesproken. Ze moeten hem dan hierin volgen.

Volgens de meerderheid is de gewijde staat de eerste van de pijlers van de bedevaart. De Hanafieten verschillen hierin, zij beschouwen het als een voorwaarde voor de geldigheid van de bedevaart en niet als een van de pijlers. En de tijd ervoor, dat zijn de bedevaartsmaanden. Wat de kleine bedevaart betreft: dat kan het hele jaar gedaan worden, behalve de dag van ‘Arafa, de dag van Nahr (offeren van een dier, Offerfeest) en de tashriq-dagen (dagen die direct volgen op het Offerfeest). De plaats ervan is bij de vastgestelde plaatsen bij Mekka of ervoor. De gewijde staat aannemen bij een van de vastgestelde plaatsen is een verplichting, wie het nalaat moet een offer brengen. Het is afkeurenswaardig voor de moslim om Mekka binnen te gaan zonder gewijde staat. En het is aanbevelenswaardig voor hem om alles te doen met de intentie om hem in gewijde staat te brengen voor de (kleine) bedevaart.

Ten tweede: goede gebruiken van de gewijde staat en de gewoontes daarin

  1. Reinheid: daartoe behoren: de nagels knippen, de snor trimmen, de oksels epileren, de schaamstreek scheren en dan ook de grote of de kleine wassing doen. Het is naar voorbeeld van de Profeet (vrede zij met hem), zelfs voor vrouwen met een postnatale bloeding of die menstrueren; zoals staat in een traditie van Ibn ‘Abbaas (moge God tevreden over hem zijn).
  2. Parfumeren van lichaam en kleding: zelfs zo dat er een spoor achterblijft van parfum na de gewijde staat. Dat is volgens de traditie van ‘Aisha (moge God tevreden over haar zijn), zij heeft gezegd: “Het is alsof ik nog steeds de sporen van parfum kan zien glinsteren op het hoofd van de Gezant Gods (vrede zij met hem) terwijl hij in de gewijde staat was”. Overgeleverd door de twee sheikhs. (al-Bukhaari & Muslim)
  3. Gebed van twee (gebeds-)delen: hij die de intentie heeft ongeacht de gebruiken van de gewijde staat, dat is dat hij in het eerste deel sura al-Kaafirun reciteert en bij het tweede deel sura al-Ikhlaas. Het is waar dat de Gezant Gods (vrede zij met hem) twee gebedsdelen bad bij zijn gewijde staat in Dhu’l-Hulaifa; zoals is overgeleverd door Muslim.
  4. Talbiyya (lett: het gehoor geven aan): het is naar voorbeeld van de Profeet (vrede zij met hem) dat dit samengaat met de gewijde staat. Het is verplicht bij de Hanafieten en Malikieten, en bij het nalaten ervan moet men een offer brengen.

De vorm ervan is: “Ik ben hier in Uw dienst, oh Allah ik ben hier in Uw dienst. U heeft geen deelgenoot. Waarlijk de lofprijzingen. de gunsten en de Heerschappij zijn van U. U heeft geen deelgenoot”. Herhaling is toegestaan bij de meerderheid, maar dat wordt afgekeurd bij Malik.

Het is aanbevelenswaardig voor mannen om de talbiyya hardop te doen, voor vrouwen mag het hardop zodat ze zichzelf kunnen horen maar niet harder; zoals het ook aanbevelenswaardig is om de talbiyya uit te spreken bij in- en uitstappen van vervoersmiddelen, vertrek en aankomst, bij op- en afgaan van een heuvel, ontmoetingen of bijeenkomsten en na ieder gebed. Dat begint met het aannemen van de gewijde staat tot en met het steentjes gooien bij ‘Aqaba op de dag van Nahr (Offerfeest).

Er werd overgeleverd dat de Gezant Gods (vrede zij met hem) talbiyya’s bleef herhalen tot hij al-Djamara bereikte.

Ten derde: wat toegestaan is met betrekking tot de gewijde staat (ihraam)

Aan degene die in gewijde staat is is het volgende toegestaan:

  1. Het wassen en verkleden van de (lende-)doeken: het gebruik van zeep is toegestaan bij de Shafi’ieten en Hanbalieten, zelfs als het geparfumeerd is. Net zoals het toegestaan is het haar los te maken en te kammen. De Gezant Gods (vrede zij met hem) heeft tegen ‘Aisha gezegd: “Maak je haar los en kam het”. Overgeleverd door Muslim.
  2. Het bedekken van het gezicht tegen stof of kou. Het opzettelijk bedekken van het hoofd, daarop staat als straf een afkoopsom.
  3. Aderlating, het opensnijden van abcessen, het laten trekken van kiezen, allen indien noodzakelijk. Het staat bevestigd dat de Profeet (vrede zij met hem) aderlating liet doen terwijl hij in gewijde staat was in de plaats Laha’l-Djubul. Overgeleverd door de vijf (geleerden). Laha’l-Djubul is een plaats, gelegen tussen Mekka en Medina.
  4. Krabben op het hoofd of lichaam indien noodzakelijk; dit volgens de traditie van ‘Aisha (moge God tevreden over haar zijn). Er werd haar gevraagd (door iemand in gewijde staat) naar het krabben op het lichaam? Toen heeft ze gezegd: “Ja, laat hem krabben als hij wil”. Overgeleverd door de twee sheikhs.
  5. In de spiegel kijken, geuren opsnuiven, het behandelen van een ziekte, het tanden reinigen (siwaak). (al-Bukhaari).
  6. Het dragen van een buiktasje of gordel om het middel om geld in mee te nemen, het dragen van een ring (Ibn ‘Abbaas), in de schaduw zitten onder een parasol, tent of (af)dakje (Sahih Muslim).
  7. Het doden van een van “de vijf boosaardige dieren”. Volgens de traditie van de Gezant Gods (vrede zij met hem): “Vijf dieren zijn boosaardig, dat zijn de kraai, de wouw, de schorpioen, de muis en de roofzuchtige hond”. Overgeleverd door de twee sheikhs. (al-Bukhaari & Muslim) Zij staan voor alles wat de mensheid schaadt. (de wouw: een bekende vogel, de roofzuchtige hond: de valse hond).

Ten vierde: wat verboden is in de gewijde staat:

  1. Het dragen van genaaide kleding, volgens de woorden van de Profeet (vrede zij met hem): “Voor degene in gewijde staat is het niet toegestaan om een overhemd, een tulband, een mantel met capuchon (burnus), een broek of kleren met een geurende substantie geverfd te dragen (zoals waras en saffraan), en ook geen schoenen of genaaide slippers, behalve als men geen ongenaaide slippers vindt dan mag men schoenen dragen tot de enkels”. Overgeleverd door de twee sheikhs. (al-Bukhaari & Muslim) De burnus is alles wat als mantel het hoofd ook bedekt. Waras en saffraan zijn geurende substanties.
    Wat betreft de vrouw, zij is toegestaan om dit alles te dragen, voor haar is verboden: geparfumeerde kleding, een gezichtssluier (niqaab) of iets anders wat het gezicht bedekt, handschoenen. Dit is bevestigd door de Profeet (vrede zij met hem) en Abu Daawud, al-Baihaqi en al-Haakim hebben het overgeleverd.
    Wie geen (lende-)doeken en gepaste kleding vindt mag wel een pantalon dragen en hoeft geen afkoopsom te betalen. En wie geen sandalen vindt mag slippers dragen, onder voorwaarde dat het tot de enkels wordt vastgemaakt.
  2. Een huwelijk sluiten, voor zichzelf of een ander; volgens de woorden van de Profeet (vrede zij met hem): “Iemand in de gewijde staat moet niet in het huwelijk treden, niet anderen helpen een huwelijk te sluiten of zich verloven”. Overgeleverd door de vijf (geleerden) behalve al-Bukhaari. Hij beschouwt het sluiten van een huwelijk als ongeldig en dit is volgens de leergang van de meerderheid.
  3. Geslachtsgemeenschap hebben en alles wat daartoe kan leiden, zoals kussen en aanraken met begeerte; volgens de woorden van de Verhevene: {..moet zich tijdens de bedevaart van geslachtsverkeer, schandelijkheid en twist onthouden..} (al-Baqara: 197). Geslachtsverkeer, dat is geslachtsgemeenschap. Het is ook verboden voor degene in gewijde staat om zonden te begaan, dat is schandelijkheid. Zoals het ook verboden is voor hem om (zogenaamd) ruzie te maken met anderen.
  4. Het parfumeren van kleding of lichaam, voor mannen en vrouwen; volgens de traditie van de Gezant Gods (vrede zij met hem): “Draag geen kleding die geverfd is in waras of saffraan”. Overgeleverd door de vijf (geleerden).
    En als degene in gewijde staat sterft dan moet men geen parfum gebruiken bij de wassing van het lichaam, en ook niet bij zijn doodskleed. De Profeet (vrede zij met hem) heeft daarover een verbod uitgevaardigd, hij zei: “Was hem met water en lotus(-bladeren), en wikkel hem in een doodskleed in zijn mantel en zorg dat het niet is geparfumeerd en bedek zijn hoofd niet, want op de Dag des Oordeels zal hij rijzen met de talbiyya op zijn lippen”. Overgeleverd door de twee sheikhs (al-Bukhaari & Muslim) en al-Tirmidhi. Bedek zijn hoofd niet: met wat dan ook. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen het parfumeren van de kleding of dat de kleding geverfd is met een parfumerende substantie.
  5. Blootstelling aan de jacht op landdieren, het eten ervan als het jagen voor iemand in gewijde staat is, of met zijn aanwijzing. Als het de jacht betreft van iemand die niet in gewijde staat is, en het vervolgens aan hem geeft of verkoopt, dan is het toegestaan voor hem om het te eten. De jacht op zee (vissen), en het eten daarvan, is toegestaan zonder twijfel, volgens de woorden van de Verhevene: {Toegestaan voor jullie is wat op zee gevangen wordt en voedsel uit haar als levensmiddelen voor jullie en voor de reizigers, maar verboden is voor jullie wat op het land gejaagd wordt zolang jullie in gewijde staat zijn} (al-Maa’ida: 96). En volgens de woorden van de Gezant Gods (vrede zij met hem): “Het eten van wild is voor degene in gewijde staat toegestaan, zo lang dat hij het zelf niet heeft gedood maar iemand anders voor hem”. Overgeleverd door Ahmad en al-Tirmidhi.
  6. Manicure van de nagels, het wegnemen van haar door middel van scheren of knippen of een andere manier; volgens de woorden van de Verhevene: {scheert jullie hoofden pas als de offergave zijn bestemming (om geslacht te worden) heeft bereikt} (al-Baqara: 196).

Ten vijfde: de bestraffing voor het overtreden van een verbod in de gewijde staat

  1. Geslachtsgemeenschap: als het plaatsvindt vóór het staan (wuquf) in ‘Arafa dan oneerbiedigt men de bedevaart volgens de consensus (van de geleerden) en moet men de rest van de rituelen voltooien en hij moet ook een offer brengen volgens de meerderheid. Dan moet het ook ingehaald worden, dat wil zeggen dat men het volgende jaar terugkeert op bedevaart, dit is inhalen en verplicht; ongeacht of de aangetaste bedevaart verplicht of vrijwillig was. Bij de Hanafieten moet men een schaap offeren en hoeft men het niet in te halen, behalve als de bedevaart een verplichte was. Als het plaatsvindt na het staan (wuquf) in ‘Arafa, maar voordat men uit de gewijde staat treedt, dan geldt hetzelfde oordeel bij de meerderheid. Bij de Hanafieten is zijn bedevaart niet aangetast en moet hij een offer brengen. Als het plaatsvindt nadat men uit de gewijde staat is getreden dan is zijn bedevaart niet aangetast, hoeft hij het niet in te halen volgens de meerderheid, en moet hij als afkoopsom een kameel offeren bij de Shafi’ieten en een schaap offeren bij Malik.
  2. Het doden van jachtwild: de Verhevene heeft gezegd: {Jullie die geloven! Doodt geen jachtwild als jullie in gewijde staat zijn. Als iemand van jullie het opzettelijk doodt dan geldt als vergelding een stuks vee gelijk aan wat hij gedood heeft, ter beoordeling van twee rechtvaardigen uit jullie midden, als een offergave die de Ka’ba moet bereiken, of als verzoening het spijzigen van behoeftigen of een vasten die daarmee overeenkomt, zodat hij het walgelijke van zijn gedrag proeft…} (al-Maa’ida: 95).
    Het gelijk zijn aan wil zeggen met dezelfde beeltenis en vorm bij de Shafi’ieten, en met dezelfde waarde volgens Abu Hanifa. En als hij geen gelijke kan vinden dan moet hij de prijs ervan schatten en armen ermee voeden, als hij daartoe niet in staat is, moet hij net zoveel dagen vasten als de armen die hij had moeten voeden.
    Het genoemde vers is vastgelegd in de rechtsregel met betrekking tot degene die jachtwild opzettelijk doodt terwijl hij in gewijde staat is. Het wordt bevestigd met de aanbevolen rechtsregel zelf dat als men jachtwild doodt terwijl men vergeet of onwetend is en in gewijde staat, dan is het geen zonde, en dat is volgens de meerderheid van de rechtsgeleerden zoals Ibn Kathir heeft gezegd.
  3. Overige verboden: als degene in gewijde staat een van de andere verboden overtreedt, zoals het scheren van het haar, of genaaide kleren dragen, dan moet hij een offerdier slachten, drie dagen vasten of zes armen te eten geven; drie  manden dadels, zoals in de traditie van Ka’b ben ‘Udjra, die de twee sheikhs hebben overgeleverd. Als hij het verbod overtreedt terwijl hij het was vergeten of niet wist, dan hoeft hij niets te doen, zoals is overgeleverd door al-Bukhaari.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.

Close