Wonderen van de Koran

De historische wonderen van de Koran

HET WOORD ‘HAMAN’ IN DE QOER’AAN

De informatie die in de Qoer’aan, over het oude Egypte wordt gegeven, openbaart veel historische feiten die tot voor kort onbekend waren. Deze feiten laten ons ook zien dat ieder woord in de Qoer’aan met een duidelijke wijsheid geopenbaard is.

Haman is iemand wiens naam in de Qoer’aan, samen met die van de farao, genoemd wordt. Hij wordt op zes verschillende plaatsen inde Qoer’aan vermeld, als één van de naaste mannen van de farao.

Opvallend is dat de naam Haman nooit in die delen van de Thora wordt genoemd die over het leven van Moesa {Mozes} gaan. Maar de vermelding van de naam Haman, als de helper van de Babylonische koning, die ongeveer 1100 jaar na Moesa vele wreedheden tegen de Israëlieten begaan heeft, kan gevonden worden in de laatste hoofdstukken van het Oude Testament

Sommige niet-moslims verkondigen dat de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) de Qoer’aan geschreven heeft door het kopiëren van de Thora en de Bijbel. Zij beweren tevens dat hij tijdens dit proces, enige onderwerpen die een relatie hebben met deze boeken, incorrect in de Qoer’aan heeft overgebracht. De absurditeit van deze beweringen is aangetoond toen het Egyptisch hiëroglyfen alfabet, ongeveer tweehonderd jaar geleden, ontcijferd werd en de naam ‘Haman’ in de oude geschriften ontdekt werd.


De naam ‘Haman’ was onbekend tot de Egyptische hiëroglyfen in de 19de eeuw ontcijferd werden. Toen de hiëroglyfen ontcijferd waren, werd duidelijk dat Haman een naaste helper van de farao was en ‘het hoofd van de steenhouwers’. (Hierboven worden Oud-Egyptische bouwvakkers getoond). Belangrijk hier is dat Haman in de Qoer’aan genoemd wordt als iemand die onder het bevel van de farao de bouwwerken leidt. Dit houdt in, dat informatie die niemand in die tijd kon weten, in de Qoer’aan gegeven was.

Tot de 18de eeuw konden de geschriften en inscripties van het Oude Egypte niet begrepen worden. De taal van het Oude Egypte washiëroglyfisch, die de eeuwen, overleefde. Maar met de verspreiding van het christendom en door andere culturele invloeden, in de tweede en derde eeuw na Christus, raakte in Egypte zowel het oude geloof als het hiëroglyfenschrift in verval. Het laatste voorbeeld van de toepassing van het hiëroglyfenschrift, is een inscriptie gedateerd: 394 na Christus. Daarna was de taal vergeten, niemand kon het meer lezen of begrijpen. En deze situatie duurde voort tot ongeveer 200 jaar geleden.

Het geheim van de Egyptische hiëroglyfen werd in 1799 opgelost door de ontdekking van een plaquette die de ‘Steen van Rosette’ werd genoemd. Deze plaquette dateerde uit het jaar 196 voor Christus. Het belang van deze inscriptie was dat het in drie verschillende geschriften geschreven was: hiëroglyfen, demotisch (een eenvoudige vorm van het oude Egyptische hiëratische schrift) en Grieks. Met behulp van het Griekse schrift werd het oude Egyptische schrift ontcijferd. De vertaling van de inscriptie werd voltooid door de Fransman, Jean-François Champollion. Hierdoor werden een vergeten taal en gebeurtenissen in kwestie, wederom belicht en werd er veel duidelijk over de beschaving, godsdienst en het sociale leven van het oude Egypte.

Door het ontcijferen van de hiëroglyfen, werd een belangrijk stukje informatie duidelijk: de naam ‘Haman’ werd inderdaad in de Egyptische inscripties genoemd. Deze naam verwees naar een monument in het Hofmuseum in Wenen.19

In het woordenboek van de Mensen van het Nieuwe Rijk, dat gemaakt werd op basis van de hele verzameling inscripties, wordt Haman omschreven als ‘het hoofd van de steenhouwers’.20

Het resultaat openbaart een belangrijke waarheid. In tegenstelling tot de valse beweringen van de tegenstanders van de Qoer’aan, was Haman iemand die in Egypte ten tijde van Moesa leefde, en in de nabijheid van de farao verkeerde, hij was betrokken bij het werk in de bouw, net zoals dat in de Qoer’aan omschreven staat.

Verder beschrijft het vers in de Qoer’aan de gebeurtenis waarin de farao Haman vraagt een toren te bouwen, dit strookt helemaal met de archeologische ontdekkingen:

Farao zei: “O leiders! Ik wil geen andere god voor jullie dan ikzelf, steek dus voor mij (een vuur) aan, O Haman, om (stenen van) klei te bakken en voor mij een liefelijke toren te bouwen zodat ik daarnaar kan kijken (of) om de god van Moesa (te zoeken) en waarlijk, ik denk dat hij (Moesa) één van de leugenaars is.” (Qoer’aan 28:38)

Tot slot kunnen we zeggen dat het bestaan van de naam Haman in de oude Egyptische inscripties er niet alleen toe leidde dat de bedachte beweringen van tegenstanders van de Qoer’aan waardeloos zijn, maar het bevestigde opnieuw het feit dat de Qoer’aan van Allah komt. Op een wonderbaarlijke wijze onthult de Qoer’aan voor ons de historische informatie, die in de tijd van de Profeet (vzmh) niet beschikbaar was en niet begrepen kon worden.
TITELS VAN EGYPTISCHE HEERSERS IN DE QOER’AAN

Moesa was niet de enige profeet die in Egypte woonde ten tijde van het Oude Egypte. De profeet Joesoef leefde, al lang voor Moesa, in Egypte. We zien een bepaalde paralel als we de verhalen van Moesa en Joesoef lezen. Bij het noemen van de Egyptische heerser, in de tijd van Joesoef, wordt in de Qoer’aan het woord ‘malik (koning) gebruikt:

En de koning zei: “Breng hem bij mij zodat ik hem in dienst kan nemen.” Toen hij met hem sprak zei hij: “Waarlijk, deze dag ben je bij ons hoog in rang en volledig vertrouwd.” (Qoer’aan 12:54)

Daar tegenover wordt de heerser, in de tijd van Moesa, als farao aangeduid:

En voorwaar Wij gaven Moesa negen duidelijke tekenen. Vraag dan de Kinderen van Israël toen hij tot hen kwam, en de Farao tegen hem zei: “O Moesa! Ik denk inderdaad dat jij betoverd bent.” (Qoer’aan 17:101)

Historische bronnen, die tegenwoordig beschikbaar zijn, laten ons de reden voor het verschil in nomenclatuur (betiteling) van deze heersers zien. Het woord ‘farao’ was van oorsprong de naam die aan het koninklijk paleis in het Oude Egypte gegeven werd. De heersers van de oude dynastie gebruikten deze titel niet. Het gebruik van het woord farao, als titel voor de heerser, begon pas in de periode van het ‘Nieuwe Rijk’ in de Egyptische geschiedenis. Deze periode begon bij de 18de dynastie (1539-1292 voor chr.).En in de 20ste dynastie (945-730 voor chr.) werd het woord farao als respectvolle titel gebruikt.

Daarom komt de wonderbaarlijke aard van de Qoer’aan, hier opnieuw, weer tot uiting: Joesoef leefde ten tijde van het Oude Rijk, en daarom werd het woord ‘malik’ voor de Egyptische heerser gebruikt, in plaats van farao. Daarentegen leefde Moesa in de tijd van het Nieuwe Rijk, en werd de heerser van Egypte met ‘farao’ aangeduid.

Zonder twijfel moet men kennis hebben van de geschiedenis van Egypte om een dergelijk onderscheid te kunnen maken. Maar in de vierde eeuw was de geschiedenis van het oude Egypte volledig vergeten, aangezien de hiëroglyfen niet meer konden worden begrepen, en pas in de 19de eeuw werden herontdekt. Toen de Qoer’aan geopenbaard werd, was er daarom geen gedetailleerde kennis van de Egyptische geschiedenis beschikbaar. Dit feit is opnieuw een van de talloze stukjes bewijs dat de Qoer’aan het woord van Allah is.

ARCHEOLOGISCHE VONDSTEN BIJ DE STAD IRAM

In het begin van de negentiger jaren kwamen er artikelen in bekende internationale kranten die kopten: ‘Legendarische Arabische verloren stad gevonden’, de Arabische stad uit de legenden is gevonden’, ‘Oebar, het Atlantis van het zand. Wat deze archeologische vondst nog fascinerender maakte, was het feit dat er in de Qoer’aan ook naar deze stad is verwezen. Veel mensen, die sindsdien dachten dat de ‘Ad’ waarover in de Qoer’aan verteld werd, een legende waren of dat hun verblijfplaats nooit gevonden zou kunnen worden, waren hoogst verbaasd over deze ontdekking. De ontdekking van deze stad, die slechts in mondeling overgedragen verhalen van de Bedoeïen genoemd werd, wekte grote belangstelling en nieuwsgierigheid op. Het was Nicholas Clapp, een amateur-archeoloog, die deze legendarische stad, die in de Qoer’aan genoemd wordt, ontdekte.21

Als Arabofiel en de maker van een winnende documentaire, kwam Clapp tijdens zijn onderzoek naar de Arabische geschiedenis een interessant boek tegen. Dit boek was Arabia Felix, geschreven in 1932 door de Britse onderzoeker Bertram Thomas. Arabia Felix was de Romeinse aanduiding voor het zuidelijke gedeelte van het Arabisch Schiereiland, waar zich tegenwoordig Jemen en een groot deel van Oman bevinden.

De Grieken noemden dit gebied ‘Eudaimon Arabia’ en de middeleeuwse Arabische geleerden noemden het ‘al-Yaman as-Saïda’.22

Al deze namen betekenen: ‘het gelukkige Arabië’, want we weten van de mensen, die in oude tijden in die regio woonden, dat ze de gelukkigste mensen van hun tijd waren. Wat is dan de reden voor deze aanduiding?

Hun geluk was gedeeltelijk afhankelijk van hun strategische ligging – zij dienden als tussenpersonen in de specerijhandel tussen India en het noorden van het Arabisch Schiereiland. En de mensen die in dit gebied woonden produceerden en distribueerden ‘wierook’, een aromatische hars van zeldzame bomen. Deze plant werd in de oude samenlevingen als ontsmettingsmiddel bij talloze religieuze riten gebruikt, daarom werd zij hooglijk gewaardeerd. In die tijd was de plant minstens zijn gewicht in goud waard.

De Britse onderzoeker Thomas beschrijft deze ‘voorspoedige’ stammen uitvoerig en beweerde dat hij, middels één van deze stammen, sporen van de oude stad gevonden had.23 Deze stad was bij de bedoeïen bekend als Oebar. Tijdens één van zijn reizen, die hij in het gebied had gemaakt, werden hem door bedoeïnen, die in de woestijn leven, uitgesleten sporen getoond en zij beweerden dat deze sporen naar de oude stad Oebar leidden. Thomas die veel belangstelling had voor dit onderwerp, stierf voordat hij zijn onderzoek had kunnen afronden.

Clapp, die onderzocht wat de Britse onderzoeker Thomas geschreven had, was overtuigd van het bestaan van de verloren stad, die in het boek beschreven werd. Zonder tijd te verliezen begon hij met zijn onderzoek.

Clapp probeerde op twee manieren het bestaan van Oebar te bewijzen. Ten eerste vond hij de sporen waarover de bedoeïnen spraken. Hij vroeg NASA om hem satellietfoto’s van het gebied te verstrekken. Na een lange strijd wist hij de autoriteiten te overtuigen om foto’s van het gebied te maken.24

Clapp ging verder met zijn studie van oude manuscripten en kaarten, in de Huntington Bibliotheek in Californië. Hij had tot doel een kaart van het gebied te vinden. Na een korte zoektocht vond hij er één. Wat hij vond was een kaart, getekend door de Griek-Egyptische geograaf Ptolemius in 200 na chr. Op de kaart was de plaats van een oude stad te zien die in het gebied gevonden werd en wegen die naar die stad leidden.

Ondertussen had hij het nieuws ontvangen dat de foto’s door NASA genomen waren. Op de foto’s werden een aantal karavaansporen zichtbaar, die met het blote oog moeilijk waar te nemen waren, maar alleen uit de lucht te zien waren. De foto’s vergeleek hij met de oude kaart die hij had, en aldus kwam Clapp tot de conclusie die hij zocht n.l.: de sporen op de oude kaart kwamen overeen met de sporen van de satellietfoto’s. Uiteindelijk kwamen deze sporen uit in een groot gebied, waarvan men begreep dat het eens een stad geweest was.

Eindelijk was de plaats van de legendarische stad, die het onderwerp is geweest van vele mond op mond verhalen door bedoeïen, ontdekt. Korte tijd daarna begonnen de opgravingen en de overblijfselen van een oude stad werden onder het zand vandaan gehaald. Aldus werd deze verloren stad omschreven als “Oebar,’het Atlantis van het zand.”

Wat was nu het bewijs, dat deze stad, de stad van het volk van ‘Ad was, die in de Qoer’aan genoemd wordt?

Vanaf het moment dat de overblijfselen onder het zand vandaan tevoorschijn kwamen, werd duidelijk dat deze geruïneerde stad aan de ‘Ad toebehoorde en aan de zuilen van Iram, die in de Qoer’aan genoemd werden, want bij de resten die uit het zand tevoorschijn kwamen, waren de torens, waar expliciet in de Qoer’aan naar wordt verwezen. Een deelnemer van het onderzoeksteam dat de opgraving leidde, Dr. Zarins zei gezien het feit dat de torens tot de allesbepalende kenmerken van Oebar behoorden en dat er van Iram bekend was dat het torens of zuilen had, was dit tot dusver het beste bewijs dat de opgegraven stad Iram, de stad van de ‘Ad was, die in de Qoer’aan is genoemd. De Qoer’aan omschrijft Iram als volgt:

Heb jij niet gezien hoe jouw Heer met de Aad is omgegaan? Van de stad met zijn pilaren. Zoals nog nooit in het land geschapen is? (Qoer’aan 89:6-8)

Zoals we zien komt de verstrekte informatie in de Qoer’aan over gebeurtenissen in het verleden overeen met historische feiten en dat is opnieuw een bewijs dat de Qoer’aan het woord van Allah is.

HET VOLK VAN SABA EN DE OVERSTROMING VAN ARIM

Het volk van Saba was één van de vier grootste beschavingen die in Zuid-Arabië leefde.

Historische bronnen die over Saba spreken, zeggen meestal dat dit net zo’n cultuur was als die van de Phoeniciërs, een cultuur dus die zich met handel bezighield. In de geschiedenis is het bekend dat de Sabeërs een beschaafd volk waren. Bij inscripties van de heersers van Saba worden woorden als ‘herstel’, ‘toegewijd’ en ‘opbouwen’ vaak gebruikt. De Ma’ribdam, dat één van de belangrijkste bouwwerken van dit volk was, is een belangrijke aanwijzing van het technologische niveau dat dit volk bereikt had. De staat van de Sabeërs had één van de grootste legers van dit gebied. Dankzij haar leger was het land in staat een expansieve politiek te bedrijven. Met de hulp van een hoogstaande cultuur en het leger was de Saberische staat in die tijd beslist één van de supermachten van dat gebied..

Het buitengewone sterke leger van de Saberische staat wordt ook in de Qoer’aan beschreven. Een uitspraak van de bevelhebbers van het Saberische leger die in de Qoer’aan staat, laat zien hoe groot het zelfvertrouwen was, dat het leger had. De bevelhebbers zeggen tegen de vrouwelijke heerser (koningin) van de staat:

Zij zeiden: “Wij hebben veel kracht en grote kwaliteiten voor de oorlog, maar jij bent het die het bevel moet voeren, denk dus na wat je zult bevelen.” (Qoer’aan 27:33)

De hoofdstad van Saba was Ma’rib, die door de gunstige geografische positie behoorlijk welvarend was. De hoofdstad lag heel dicht bij de rivier Adhanah. Het punt waar de rivier Jabal Balaq bereikte, was zeer geschikt om een dam te bouwen. Door gebruik te maken van deze omstandigheid, bouwde het volk van Saba op deze plek een dam, terwijl hun beschaving nog maar pas gevormd was en zij begonnen met irrigatie. Zij bereikten beslist een hoog welvaartsniveau. De hoofdstad, Ma’rib, was één van de best ontwikkelde steden van die tijd. De Griekse schrijver Plinius, die het gebied bezocht had, was er zeer lovend over, en vertelde ook hoe groen dit gebied was.25

De hoogte van de Ma’ribdam was 16 meter, de breedte 60 meter en de lengte 620 meter. Volgens berekeningen was het totale gebied dat door middel van de dam bevloeid kon worden, 9.600 hectaren, waarvan 5.300 tot de zuidelijke vlakte behoorde en het resterende deel tot de noordelijke vlakte. Deze twee vlakten worden in de inscripties van Saba omschreven als ” Ma’rib en de twee vlakten”.26 De uitdrukking van de Qoer’aan: “Twee tuinen aan de rechterhand en de linkerhand ” verwijst naar de tegenoverliggende tuinen en wijngaarden in deze twee valleien. Dankzij deze dam en haar bevloeiingssysteem, werd het gebied beroemd als het best bevloeide en vruchtbaarste gedeelte van Jemen. De Fransman J. Holevy en de Oosterijker Glaser hebben uit documenten bewezen dat de Ma’ribdam sinds de oudheid bestond. In documenten, geschreven in het Himerdialect, staat dat deze dam zorgde voor een hoge productie in het gebied.

Als we de Qoer’aan in het licht van de boven genoemde historische data onderzoeken, zien we dat er een opvallende overeenstemming is. Archeologische vondsten en historische data bevestigen beiden wat in de Qoer’aan staat. Zoals in het vers staat, luisterden deze mensen niet naar de vermaningen van hun profeet en verwierpen zij ondankbaar het geloof, tenslotte werden zij met een vreselijke overstroming bestraft. Deze overstroming is in de Qoer’aan in de volgende verzen beschreven:

Voorwaar er was voor Saba een teken in hun woonplaats, – twee tuinen aan de rechterhand en aan de linker (en er werd tegen hen gezegd) “Eet van de voorziening van jullie Heer en wees Hem dankbaar, een welvarend land en Vaak-Vergevende Heer.” Maar zij keerden zich ervan af, dus stuurden Wij aan hen een vloed die van de dam werd losgelaten en Wij veranderden hun twee tuinen in tuinen die bitter, slecht fruit voortbrachten en tamarinden en een paar lotusbomen. Zo zetten Wij het hun betaald omdat zij ondankbare ongelovigen waren. En nooit zetten Wij het op deze manier betaald tenzij zij ondankbaren zijn. (Qoer’aan 34:15-17)

In de Qoer’aan wordt de straf die naar het volk van Saba gestuurd wordt, ‘Sayl al-Arim’ genoemd, dit betekent ‘de overstroming van Arim’. De uitdrukking in de Qoer’aan vertelt ons ook over de manier waarop de ramp plaatsvond. Het woord ‘arim’ betekent dam of barrière. De uitdrukking ‘Sayl al-arim betekent dus een overstroming door een dam- of dijkdoorbraak. Islamitische commentatoren hebben de tijd en plaats van deze gebeurtenis kunnen aanduiden, geleid door de uitdrukkingen die in de Qoer’aan over de overstroming van Arim gebruikt wordt. Maudoedi schrijft in zijn commentaar

“Zoals ook in de uitdrukking Sayl al-arim gebruikt is, wordt het woord arim afgeleid van het woord arimen, dat in het dialect van Zuid-Arabië, dam of barrière betekent. In de in Yemen opgegraven ruïnes, zag men dat dit woord in deze betekenis vaak werd gebruikt. In de inscripties die bijvoorbeeld door de Abessijnse koning uit Jemen Ebrehe (Abraha) verordend waren, werd dit woord na de restoratie van de grote muur in Ma’rib in 542-3 na chr. steeds weer in de betekenis van dam (barrière) gebruikt. De uitdrukking Sayl al-arim betekent dus: een overstroming veroorzaakt door een doorbraak van een dam.

en Wij veranderden hun twee tuinen in tuinen die bitter, slecht fruit voortbrachten en tamarinden en een paar lotusbomen.

Dat wil zeggen dat na het instorten van de damwand, het gehele land onder water gelopen was. De kanalen die door het Volk van Saba gegraven waren en de wand die bij het bouwen tussen de barrières tussen de bergen was geconstrueerd, werden vernietigd en het irrigatiesysteem ging verloren. Het resultaat hiervan was, dat het gebied, dat vroeger op een tuin leek, in een jungle veranderde. Er was geen fruit meer behalve wat kersachtig fruit van kleine stronkachtige bomen.”27

De christelijke archeoloog Werner Keller, schrijver van het boek: “En de Bijbel had toch gelijk (Und die Bible hat doch recht), neemt aan dat de overstroming van Arim heeft plaats gevonden op de manier zoals dit in de Qoer’aan is beschreven. Hij beschreef dat het bestaan van een dergelijke dam en de vernietiging van het hele land door die doorbraak, het bewijs is, dat het voorbeeld dat in de Qoer’aan is gegeven over de mensen van de tuin, inderdaad heeft plaats gevonden.28

Na de ramp van de Arim overstroming veranderde de regio in een woestijn en het Volk van Saba verloor, met het verdwijnen van de agrarische landerijen haar belangrijkste bron van inkomsten. Het volk, dat geen acht sloeg op de oproep van Allah en niet in Hem geloofde en Hem niet dankbaar was, werd uiteindelijk door een dergelijke ramp bestraft.

DE ARCHEOLOGISCHE VONDSTEN VAN DE THAMOED

Van de volkeren die in de Qoer’aan genoemd worden, zijn de Thamoed het volk waarover we tegenwoordig het meeste weten. Historische bronnen onthullen dat er echt een volk heeft bestaan wat de Thamoed heette.

Van de gemeenschap al-Hijr, die in de Qoer’aan wordt genoemd, wordt aangenomen dat het hetzelfde volk is als de Thamoed. De andere naam van de Thamoed was Ashab al-Hijr. Het woord Thamoed is dus de naam van het volk terwijl de stad Al-Hijr één van die steden is, die door dit volk gesticht zijn. De beschrijvingen van de Griekse geograaf Plinius stemmen hier mee overeen. Plinius schreef dat Domatha en Hegra de plaatsen waren waar de Thamoed woonden en deze plaatsen vormen de huidige stad, Hijr.29

De oudste bronnen die bekend zijn, die naar de Thamoed verwijzen zijn de analen van de overwinning van de Babylonische Koning Sargon de Tweede (achtste eeuw voor Christus), die dit volk tijdens een veldtocht, in het noorden van Arabië, versloeg. De Grieken verwijzen ook naar dit volk met de naam “Tamoedaei”. Ze verdwenen volledig, ongeveer 400-600 na chr, voordat de Profeet Mohammed verscheen.

In de Qoer’aan worden de ‘Ad en Thamoed altijd tegelijkertijd genoemd. Verder adviseren de verzen de Thamoed, om de waarschuwing en vernietiging van de ‘Ad ter harte te nemen. Dit laat zien dat de Thamoed beschikte over gedetailleerde informatie over de ‘Ad.

“En gedenk dat Hij jullie tot de opvolgers van de ‘Ad heeft gemaakt en je bewoners in het land heeft gegeven en jullie bouwden voor jezelf paleizen op de vlakten en groeven huizen uit de bergen. Overdenk dus de gunsten van Allah en sticht geen onheil op aarde. (Qoer’aan 7:74)

20 Hermann Ranke, Die Ägyptischen Personennamen, Verzeichnis der Namen, Verlag Von J. J. Augustin in Glückstadt, Band I, 1935, Band II, 1952
21Thomas H. Maugh II, “Ubar, Fabled Lost City, Found by LA Team”, The Los Angeles Times, 5 February 1992.
22 Kamal Salibi, A History of Arabia, Caravan Books, 1980
23 Bertram Thomas, Arabia Felix: Across the empty Quarter”of Arabia, ew York, Schrieber’s Sons, 1932, p. 161
24 Charlene Crabb “Frankincense”, Discovber, January 1993
25 Hommel, Explorations in Bible Lands, Philadelphia: 1903, p.739
26 “Marib”, Islam Ansiklopedisi: Islam Alemi, Tarihi, Cografya, Etnografya ve Bibliyografya Lugati, Volume 7, p. 323-339.
27 Mawdudi, Tefhimul Kuran, Cilt 4, Istanbul: Insan Yayinlari, p.517.
28 Werner Keller, Und die Bibel hat doch recht (Tbe Bible as History; a Confirmation of the Book of Books), New York: William Morrow, 1956, p.207.
29 Hicr”, Islam Ansiklopedisi: Islam Alemi, Tarihi, Cografya, Etnografya ve Bibliyografya Lugati, (Encyclopedia of Islam: Islamic World, History, Geography, Ethnography, and Bibliography Dictionary) Vol. 5/1, p. 475

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.

Close