Voor Kinderen

De hidjra (emigratie) naar Jathrib

Omdat het nog steeds niet veilig was voor de moslims in Mekka, stuurde de profeet hen, zo onopvallend mogelijk, soms één voor één, naar Jathrib. Sommigen werden door de ongelovigen opgepakt en teruggebracht naar Mekka. Daar werden ze dan verhoord en gemarteld. Al snel waren alle naaste metgezellen weg uit Mekka, behalve Aboe Bakr, Ali en de profeet zelf. Aboe Bakr had toestemming gevraagd om ook te mogen emigreren, maar de profeet had geantwoord: “Wees geduldig, want het kan zijn, dat Allah je een metgezel zal geven voor die reis.”

Toen het steeds meer moslims lukte om veilig in Jathrib te komen, werden de Mekkanen bang. Zij bedachten een plannetje om de profeet te vermoorden. Maar al snel hoorde Mohammed hier over en bedacht hij een veel beter plan. Hij vroeg zijn neef Ali om in zijn bed te slapen en verzekerde hem, dat Allah hem niets zou laten overkomen. Ali wilde de profeet graag helpen en stemde meteen met het plan in.

In het donker van de nacht slopen de Qoeraish nu om het huis van de profeet Mohammed. Zij gluurden door een gat in de deur naar binnen en dachten, dat de profeet rustig lag te slapen. Tegen de ochtend stormden ze het huis binnen en ontdekten, dat het Ali was die onder de mantel van de profeet op zijn bed had gelegen.

Ondertussen wist de profeet te ontvluchten. Samen met Aboe Bakr klom hij uit het raam aan de achterkant van diens huis, waar twee kamelen voor hen klaarstonden. Zo begonnen ze aan de lange, moeilijke reis naar Jathrib. Een schaapherder, in dienst bij Aboe Bakr, wiste met zijn kudde schapen hun sporen uit.

Na enige tijd bereikten zij een grot in de berg Thauri, waar zij zich drie dagen verstopten. Maar de Qoeraish waren goede spoorzoekers en na verloop van tijd kwamen ze bij de berg. Tot aan de tanden bewapend begonnen ze de berg te onderzoeken, totdat ze de grot ontdekten.

In de grot rustte de heilige profeet met zijn hoofd op de schoot van Aboe Bakr. Toen deze de stemmen van hun vijanden hoorde, verstijfde hij van angst. De profeet werd wakker door de onrust van Aboe Bakr en stelde hem gerust met de woorden: “Stel je twee trouwe metgezellen voor, zou Allah dan niet de derde zijn?”

De ongelovigen kwamen nu nog iets dichterbij de grot. “Hier kan niemand naar binnen zijn gegaan, de ingang is vol met spinnenwebben en er is een nest van wilde duiven in de holte van de rots,” zeiden ze. Wat de ongelovigen niet wisten was, dat Allah op deze manier had gezorgd voor de veiligheid van de profeet en Aboe Bakr, want het wonderlijke was, dat het spinnenweb en het duivennest er niet waren, toen ze de grot binnengingen.

In Jathrib hadden de mensen intussen over het vertrek van de heilige profeet uit Mekka gehoord. Ongeduldig en vol verlangen wachtten zij op zijn aankomst.

Na acht uitputtende dagen kwamen de profeet en Aboe Bakr in Qoeba, even buiten Jathrib, aan. Daar bouwde hij met een aantal moslims een kleine moskee. In een vallei even buiten Jathrib ging hij voor in het eerste vrijdagsgebed in de geschiedenis van de islam. Nog diezelfde dag trok hij Jathrib binnen, de stad die daarna ‘Madina, an-nabie’, de stad van de profeet, zou heten.

De stad was uitgelopen om hem te zien. Blij riepen zij naar elkaar: “De boodschapper van Allah is aangekomen.”Kinderen zongen vrolijk een welkomstlied voor hem. Het was een eervolle ontvangst voor de profeet.
De emigranten voelden zich al snel thuis in hun nieuwe woonplaats. De moslims uit Jathrib hadden hen in hun huizen opgenomen en deelden alles met hun geloofsgenoten. In deze nieuwe gemeenschap leefden de moslims volgens de regels van de islam. En zo werd de eerste islamitische staat gesticht.

De emigratie van Mekka naar Madina vond plaats in het jaar 622 en was het begin van de islamitische jaartelling.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.

Close