Voor Kinderen

De begintijd van de islam

Na de eerste verzen van de Qor’aan ontving de profeet Mohammed steeds weer nieuwe openbaringen, soms met lange periodes ertussen. Dan werd de profeet erg verdrietig, omdat hij dacht dat Allah niet tevreden over hem was. Maar zijn lieve vrouw Chadiedja stelde hem steeds weer gerust.

Op een keer verscheen de engel Djibriel weer aan de profeet Mohammed. Hij liet water uit de aarde ontspringen en deed de woedoe, de rituele wassing voor het aanbidden van Allah, aan hem voor. Daarna leerde Djibriel het gebed aan de heilige profeet die het vervolgens weer aan zijn vrouw Chadiedja leerde.

Nu begon de profeet de mensen op te roepen tot de enige, ware godsdienst, de islam. Eerst sprak hij met familieleden over het geloof in Allah. Hij vertelde hen, dat er alleen één God is, Allah genaamd, en dat ze alleen Hem mochten aanbidden. De eerste die na Chadiedja meteen in de boodschap geloofde was de 10-jarige Ali, een zoon van Aboe Talib, die bij de profeet in huis woonde.

Al snel werden ook andere mensen moslim, onder wie Aboe Bakr, die in Mekka hoog aanzien genoot. Het kleine groepje nieuwe moslims had de islam eerst in het geheim gepraktiseerd. Maar toen openbaarde Allah het bevel aan de profeet om openlijk te prediken. Het gevolg was dat de afgodendienaren zich tegen hen keerden. De moslims werden uitgelachen en bespot. Zij stonden echter zo sterk in hun geloof, dat ze dit geduldig verdroegen. Dit maakte de afgodendienaren erg boos. Zij wilden het geloof van hun voorvaderen niet opgeven.

Daarna gingen zij naar Aboe Talib, de oom van de profeet, en zeiden tegen hem: “Jij moet ervoor zorgen, dat Mohammed ophoudt met onze godsdienst te bestrijden. Want als hij niet ophoudt, zullen we de moslims hard aanpakken.” Toen de profeet het nieuws van Aboe Talib hoorde, werd hij erg verdrietig. Maar zijn liefde voor Allah bleef sterk en met vastberaden stem zei hij: “Echt waar, al gaven zij mij de zon in mijn rechterhand en de maan in mijn linkerhand, dan zou mij dat er niet van weerhouden, tot aan mijn dood, om de boodschap te verkondigen!”

De vijanden van de moslims, de afgodendienaren van de Qoeraish-stam, gingen zich steeds heviger verzetten tegen de nieuwe godsdienst. Hun pesterijen en vernederingen werden steeds erger en gingen zelfs over in martelingen. Ondanks alles gingen er toch steeds meer mensen over tot de islam.

Uiteindelijk boden de Qoeraish de profeet Mohammed veel geld en macht aan, als hij op zou houden met over de islam te praten. Toen hij dit weigerde en volhardde in zijn geloof, werden ze nog wreder tegenover de moslims.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.

Close