De Bedevaart

De bedevaart in de zuivere Sunna

In dit deel de laatste bedevaart van de Profeet (vrede zij met hem). Zoals vermeld door Djaabir ben ‘Abd Allah (moge God tevreden over hem zijn). De Profeet (vrede zij met hem) leidde de reis, dit is overgeleverd door Muslim en Abu Daawud in deze vorm. Zoals overgeleverd door al-Bukhaari, al-Nasaa’i, al-Tirmidhi en anderen. En dat is de afscheidsbedevaart (de enige) van de Gezant Gods (vrede zij met hem).

Wat betreft de rest van wat vermeld is in de Sunna wat verbonden is met de bedevaart. Daarvan bevindt zich veel in de context van de traditie over rechtregels over de bedevaart en de verplichte rituelen.

Traditie over de afscheidsbedevaart

Volgens Djaabir ben ‘Abd Allah (moge God tevreden over hem zijn):

De Gezant Gods (vrede zij met hem) deed negen jaar geen bedevaart, vervolgens riep hij in het tiende jaar op tot de mensen dat de Gezant Gods (vrede zij met hem) op bedevaart ging. Er kwamen veel mensen naar al-Medina. Zij allen streefden ernaar de Gezant Gods (vrede zij met hem) te volgen en te handelen zoals hij handelde. Wij gingen met hem op weg tot we bij Dhu al-Hulaifa aankwamen. Asma’ bint ‘Umais beviel daar van Muhammad, zoon van Abu Bakr. En zij stuurde iemand naar de Gezant Gods (vrede zij met hem) met de vraag wat ze moest doen. Hij zei: doe de grote wassing, bedek je met een doek en kom in de gewijde staat. En de Gezant Gods (vrede zij met hem) bad in de moskee. Vervolgens reed hij zijn kameel (al-Qaswa) totdat zij stilstond op al-Baida’ Zover ik kon zien zag ik ruiters en voetgangers ten overstaande van hem, zowel aan zijn rechterkant als aan zijn linkerkant en achter hem hetzelfde. De Gezant Gods was in ons zicht. En de Koran was aan hem geopenbaard en hij wist de ware betekenis. En wij deden hem na in al zijn handelingen. Hij sprak de eenheid van God uit (talbiyya): “Ik ben hier in Uw dienst, oh Allah ik ben hier in Uw dienst. U heeft geen deelgenoot. Waarlijk de lofprijzingen. de gunsten en de Heerschappij zijn van U. U heeft geen deelgenoot.” De mensen spraken de ‘talbiyya’ uit zoals ze dat deden. De Profeet (vrede zij met hem) keurde dit niet af, maar hij bleef zijn eigen ‘talbiyya’ uitspreken.

Djaabir zei: “wij hadden enkel de intentie van de bedevaart, wij wisten niet van de ‘kleine bedevaart, totdat wij met hem het huis bereikten en hij raakte de hoek aan. Vervolgens liep hij drie keer snel en vier keer gewoon. Daarna ging hij het huis van Ibrahim binnen en reciteerde: {neem de standplaats van Ibrahim als gebedsplaats}. En de standplaats was tussen hem en de Ka’ba. En het gebed met twee gebedsdelen reciteerde hij: {zeg: Hij is God als enige}(al-Ikhlaas) en {zeg: Oh ongelovigen} (al-Kafirun). Vervolgens keerde hij terug naar de hoek en raakte het aan. Daarna ging hij de poort uit naar al-Safa.

Toen hij al-Safa naderde las hij “Voorwaar, al-Safa en al-Marwa behoren tot de door God gewijde tekenen”. Ik begin met dat waar God mee begonnen is en dat is al-Safa. Hij begon met het beklimmen (1) totdat hij de Ka’ba zag.  Hij wendde zich in de richting van Mekka en zei dat er één God is en dat Hij groot is. En vervolgens zei hij: “Er is geen god dan Allah en Hij heeft geen deelgenoot. Aan Hem behoort de heerschappij en aan Hem behoort de lof. Hij is Almachtig over alles. Er is geen God dan Allah, Hij heeft zijn belofte waargemaakt en Zijn dienaar laten overwinnen, Hij heeft alleen de partijen overwonnen”.

Vervolgens deed hij een smeekbede tussendoor en herhaalde dit drie keer. Vervolgens daalde  hij af naar al-Marwa. Toen zijn voeten neerkwamen op de bodem van de vallei rende hij, totdat het weer begon te stijgen, toen liep hij tot hij al-Marwa bereikte. Daar deed hij wat hij bij al-Safa had gedaan.

Dit deed hij tot zijn laatste omgang om al-Marwa en hij zei: als ik had geweten wat ik nu weet dan had ik geen offerdier meegenomen maar een kleine bedevaart verricht. En wie van jullie geen offerdier heeft meegenomen, ga dan uit de gewijde staat en beschouw dit als ‘kleine bedevaart! Suraqa ben Malik stond op en zei: oh Gezant Gods, geldt dit enkel dit jaar of voor altijd? De Gezant Gods (vrede zij met hem) verstrengelde zijn vingers de één in de ander en zei: “de ‘kleine bedevaart in verenigd met de bedevaart, twee keer, echt voor altijd”.

‘Ali kwam aan uit Yemen met de offerdieren van de Profeet (vrede zij met hem) en hij trof Fatima (moge God tevreden over haar zijn) aan onder hen die niet meer in gewijde staat waren. Zij droeg een gekleurd gewaad en had haar ogen zwart opgemaakt met kohl. Hij keurde dit af. En zij zei: mijn vader heeft me dit bevolen.

Hij zei: ‘Ali zei in Irak: ik ging naar de Gezant Gods (vrede zij met hem) om te klagen over dat wat Fatima had gedaan. Een oordeel vragend aan de Gezant Gods (vrede zij met hem) over wat zij aan hem had verteld. Ik vertelde hem dat ik het had afgekeurd bij haar. En hij zei: zij heeft de waarheid gesproken, zij heeft de waarheid gesproken. Wat heb jij gezegd toen je begon aan de bedevaart? Hij zei: ik zei: “Oh God, ik ga de gewijde staat in zoals Uw profeet dat heeft gedaan”. Hij zei: “ik heb de offerdieren bij mij, ga daarom niet uit de gewijde staat”. Hij zei: “de groep offerdieren waarmee ‘Ali uit Yemen kwam en die de Profeet (vrede zij met hem) bij zich had waren er honderd”.

Hij zei: alle mensen gingen uit de gewijde staat en maakten hun haar korter behalve de profeet (vrede zij met hem) en degenen die een offerdier mee hadden gebracht. Op de dag van tarwiyya (lett: waterbevoorrading) begaven ze zich naar Mina en ze spraken de talbiyya van de bedevaart uit. De Gezant Gods (vrede zij met hem) reed en hij bad in Mina het middaggebed (Dhohr),  het namiddaggebed (‘Asr),  het vooravondgebed (Maghrib), het avondgebed (‘Isha) en het ochtendgebed (Fadjr), vervolgens bleef hij even tot de zon opkwam. Hij beval een tent van haar voor hem neer te zetten in Namira. De Gezant Gods (vrede zij met hem) ging en de Quraysh  twijfelden er niet aan dat hij zou stoppen bij al-Mash’ar al-Haraam (de heilige bidplaats, bij al-Muzdalifa), zoals de Quraysh altijd gedaan hadden in het tijdperk van de onwetendheid. De Gezant Gods (vrede zij met hem) passeerde dit tot hij ‘Arafa bereikte. En hij vond zijn tent die al voor hem was opgezet in Namira. En hij daalde er af totdat de zon over het hoogste punt heen was. Hij beval zijn kameel te brengen en zij werd voor hem gezadeld. Hij kwam aan op de bodem van de vallei er en hij preekte daar voor de mensen en zei: “Jullie levens en jullie eigendommen zijn net zo heilig als deze dag in deze maand en in deze plaats. Alles wat betrekking heeft op de tijd van onwetendheid (al-Djahiliyya, pre-islamitisch tijdperk) is onder mijn voeten helemaal afgeschaft. Bloedwraak uit de tijd van onwetendheid is afgeschaft. De eerste bloedwraak van ons die ik afschaf is die van Ibn Rabi’a ben al-Harith. Hij werd verzorgd door de stam van Sa’d, en Hudhail vermoordde hem. Woeker uit de tijd van onwetendheid is afgeschaft. De eerste woeker van ons die ik afschaf is de woeker van ‘Abbaas ‘Abd al-Muttalib, het is helemaal afgeschaft. Vrees God wat betreft de vrouwen, jullie hebben hen immers genomen  met de bescherming van God. Jullie is geslachtsgemeenschap met hen toegestaan volgens het woord Gods. Jullie hebben het recht jegens hen dat zij niemand die jullie haten jullie huizen laten binnengaan. Als zij dit wel doen, sla hun dan, maar niet te hard. Zij hebben het recht op hun kosten en hun uitzet van jullie, zoals bekend. Ik heb tussen jullie iets nagelaten, als jullie dit vastgrijpen zullen jullie daarna nooit meer dwalen: het Boek Gods: jullie zullen ondervraagt worden over mij, wat zullen jullie zeggen? Zij zeiden: wij verklaren dat jij hebt overgebracht, uitgevoerd hebt en geadviseerd hebt. Hij zei terwijl hij met zijn wijsvinger wees, hij richtte hem naar de hemel: “Oh God, ik getuig. Oh God, ik getuig. Oh God, ik getuig”, drie keer.

Vervolgens werd er opgeroepen tot het gebed en toen ging ik staan en bad het middaggebed (Dhohr). Toen ging ik staan en bad het namiddaggebed (‘Asr). Er gebeurde niets tussen die twee. Toen reed de Gezant Gods (vrede zij met hem) tot hij bij de standplaats kwam. En hij maakte de buik van zijn vrouwtjeskameel al-Qaswa vast aan de rotsen en deed de teugel tussen zijn handen en wendde zich in de richting van Mekka. Hij bleef staan tot de zon onderging, de gele gloed verdween en de schijf onderging. Hij liet Ousama achter hem zitten en vertrok. Hij (vrede zij met hem) had de teugels van al-Qaswa zo aangetrokken dat haar hoofd haar rug raakte. Hij gebaarde met zijn rechterhand: “oh mensen, blijf rustig, blijf rustig”. Elke keer als hij bij een zandheuvel kwam liet hij de teugels iets vieren, zodat zij kon klimmen. Tot hij bij Muzdalifa aankwam, daar bad hij het vooravond- en het avondgebed (resp. Maghrib en ‘Isha). Met één gebedsoproep en twee gebedsaankondigingen (iqaama) en hij maakte geen lofprijzing ertussen.

Vervolgens rustte de Gezant Gods (vrede zij met hem) tot de dageraad opkwam. Toen hij het ochtendgloren duidelijk kon waarnemen bad het ochtendgebed (Fadjr), met één gebedsoproep en één gebedsaankondiging. Vervolgens bereed hij al-Qaswa tot hij bij al-Mash’ar al-Haraam (de heilige bidplaats, oftewel Muzdalifa) aankwam. Hij richtte zich tot Mekka en riep Hem aan en zei: “Allah is de Grootste”, en hij loofde Hem en hij zei dat Hij de enige is en bleef staan tot het daglicht erg duidelijk werd.

Hij vertrok voordat de zon op was gekomen. Hij liet al-Fadl ben ‘Abbaas, een man met mooi haar, wit en knap, achter hem zitten. Toen de Gezant Gods (vrede zij met hem) vertrok renden enkele vrouwen aan hem voorbij, al-Fadl begon naar hen te kijken. De Gezant Gods (vrede zij met hem) plaatste zijn hand op het gezicht van al-Fadl en al-Fadl draaide zijn gezicht naar de andere kant en keek. De Gezant Gods (vrede zij met hem) legde zijn hand op de andere kant van het gezicht van al-Fadl. Hij wendde zijn hoofd en bleef kijken totdat zij aankwamen bij de vallei van Muhassir. Hij bewoog een beetje. Hij nam de middelste weg die uitkomt bij de grote Jamara. Hij kwam bij Jamara dat dicht bij een boom is en gooide er naar met zeven kiezelsteentjes. Hij zei: “Allah is de Grootste” bij elke worp, zoals bij het werpen van een katapult gooide hij vanuit het diepst van de vallei.

Hij vertrok naar het slachthuis en slachtte eigenhandig drieënzestig dieren. Hij liet ‘Ali de rest slachten en deelde met hem in zijn offer. Hij beval van elk slachtdier een stuk vlees te nemen en het werd in een pot gedaan en gekookt. Zij aten van het vlees en dronken van de bouillon.

De Gezant Gods (vrede zij met hem) vertrok op zijn kameel en ging naar de Ka’ba en bad in Mekka het middaggebed (Dhohr). En hij kwam bij de stam van ‘Abd al-Muttalib, die mensen water geven van de Zamzam. En hij zei: “put water, oh stam van ‘Abd al Muttalib. Als de mensen zich niet zouden verdringen met het uitdelen van water dan had ik met jullie water geput”. Zij gaven hem een kruik aan en hij dronk ervan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.

Close