Voor Kinderen

Published on januari 8th, 2017 | by Redactie

0

Ali, Omar en Hamza worden moslims

Ali wordt moslim

Op een dag kwam Ali thuis en iets viel hem meteen op. Ali was al tien jaar en dus al een grote jongen. De Profeet Mohammed stond met zijn hoofd voorover gebogen en zijn handen waren op zijn borst gevouwen. Tante Chadiedja stond naast hem en deed het zelfde.Tewijl Ali toekeek, bogen de Profeet Mohammed en Tante Chadiedja naar de grond. Ze bleven even in deze positie en gingen weer rechtop staan. Ali vroeg zich af wat ze aan het doen waren. Toen zag hij hen op hun knieën zitten en met hun voorhoofden de grond aanraken. ‘’Wat doen zij Vreemd!’’ dacht Ali.‘’ik heb vaak mensen zien buigen voor stenen afgodsbeelden, maar hier is geen enkel beeld.‘’

Ali had het gevoel dat zij aan het bidden waren, maar hij wist het nog niet zeker. Toen de Profeet Mohammed zijn gebed had afgerond, vroeg Ali waar hij mee bezig was. Onze Profeet was blij dat Ali om uitleg vroeg en glimlachte naar Ali. Hij zei luister goed mijn zoon, Chadiedja en ik aanbidden Allah. Hij is de ware God er is geen andere God dan Allah.

Allah heeft mij uitgekozen om zijn boodschapper te zijn. Hij heeft bevolen om de mensen Zijn Boodschap te geven. Dit is zijn Boodschap en dit moet ik de mensen vertellen. Zij moeten de verkeerde goden opgeven en alleen Hem aanbidden. Ze moeten alleen hem gehoorzamen omdat Hij de enige Ware God is.

Omar wordt moslim

Omar kon de slaap niet vatten. Hij stapte uit zijn bed, opende de deur van zijn huis en liep naar buiten. De volle maan scheen boven de daken van de huizen en de straten waren leeg en stil. Na een poosje zag Omar een man, die met ferme stap in de richting van de Ka’aba liep. Zijn passen waren afgemeten en hij liep alsof hij een kleine heuvel aan het beklimmen was. Hij was niet lang of kort, maar het scheen alsof hij boven zijn omgeving uitrees. Omar herkende hem onmiddellijk als de man, die hij het meest haatte. De man die zoveel problemen voor de mensen in Mekka veroorzaakte, omdat hij hen opriep tot een nieuwe godsdienst. De man die beweerde, dat alle goden die zij als sinds mensenheugenis aanbaden, vals en machteloos waren. En hij nodigde hen uit in plaats daarvan de Ene God te dienen. De man die de Qoeraish had verdeeld en die hen tegen elkaar had opgezet, de vader tegen de zoon, de broeder tegen de broeder en de man tegen zijn vrouw.

Omar keek naar Mohammed, want hij was het, die naar de Ka’aba liep. Allerlei gedachten kwamen weer naar boven die hem vannacht ook al hadden wakker gehouden en waarom hij nu over straat liep, terwijl iedereen lag te slapen.

Het lieve gezicht van Oem Abdoellah verscheen voor zijn ogen. “Ja Omar, je hebt het leven ondraaglijk voor ons gemaakt,” had ze hem verweten. Zijn eigen nicht, Oem Abdoellah – lid van één van de meest gerespecteerde families van Mekka – had hem getrotseerd en was met een hoop jonge mannen en vrouwen die Mohammed volgden, naar Abessinië vertrokken. Omar had zich nooit kunnen voorstellen, dat Oem Abdoellah onder degenen zou zijn die gedwongen waren om Mekka te verlaten. Het was waar, dat hij verantwoordelijk was voor het leed dat de metgezellen van Mohammed werd aangedaan. Het resultaat hiervan was dat zij één voor één hun families hadden verlaten. En elke gebroken familie bezorgde Omar een grotere afkeer van Mohammed. Hij had nooit gedacht, dat juist zij het huis van hun voorouders zou verlaten.

Die ochtend was hij naar het huis van Oem Abdoellah gegaan om te zien wat zij van plan was. Toen hij daar aankwam, zag hij, dat zij voorbereidingen trof voor een lange reis. Omar had gevraagd: “Wat, ga jij ook weg?”en zij had met die woorden geantwoord die vol pijn en verwijt waren. “Ja Omar, je hebt het leven ondraaglijk voor ons gemaakt. Onze enige misdaad is dat we in de Ene God geloven. Wij vertrouwen volledig op Hem. Wij weten dat Hij ons zal leiden en beschermen, zodat wij in de gelegenheid zijn om Hem te dienen en Hem in vrede te aanbidden.”

Bij een andere gelegenheid zou Omar haar geslagen hebben. De gedachte was ondraaglijk voor hem: leden van zijn eigen stam, die moslim werden en Mohammed, de afvallige, volgden. Maar aan de andere kant vervulde het gezicht van de edele zonen en dochters van de Qoeraish, die Mekka moesten verlaten voor geen ander vergrijp dan het praktiseren van een nieuw geloof, hem met verdriet. Hij kon haar geen antwoord geven. Zijn hart deed pijn en zijn ogen waren vervuld met tranen. Hij deed zijn mond om een verwensing te uiten, maar tot zijn eigen verbazing zei hij: “Dat God dan met jou moge zijn.”

Oem Abdoellah was van haar stuk gebracht. Ze had Omar nooit als een milde persoon gekend. Integendeel, hij was één van de meest woeste en hardste mannen van Mekka. Er gloeide een sprankje hoop op in haar hart. Kon het dan zo zijn, dat zelfs de ontembare Omar voor de kracht van de Waarheid zou buigen?

’s Avonds, toen haar man thuis kwam, vertelde ze hem over Omar’s bezoek. Zij sprak haar hoop uit, dat Omar op een dag op zijn minst welwillend tegenover hun situatie zou staan, ook al zou hij hen dan niet volgen. “Denk je nu echt, dat hij zich op een dag bij ons zal voegen, alleen maar omdat hij je niet vervloekte?” vroeg haar man ‘Amir. “Nou ja, daar hoop ik een beetje op,” antwoordde zij. Maar ‘Amir schudde zijn hoofd. “De ezel van de oude Khattab kan misschien wel moslim worden, maar de zoon van Khattab? Ha! Nooit!”

Omar’s gesprek met Oem Abdoellah had een diepe indruk op hem gemaakt. Hij voelde zich niet meer zo zeker van zichzelf en was niet meer op zijn gemak. Waarom moesten mensen, die al hun hele leven in Mekka gewoond hadden, gedwongen worden de stad te verlaten? Alleen maar omdat hun geloof anders was? Omar kon de vervolgingen die hij had uitgevoerd en waar hij ook nog eens gedeeltelijk verantwoordelijk voor was, niet meer helemaal rechtvaardigen. Hij had een hekel aan zichzelf hierom, maar omdat zijn trots het niet toeliet, dat hij zou toegeven, was hij veroordeeld tot slapeloze nachten.

Op één van die nachten zag hij de profeet Mohammed naar de Ka’aba gaan. Alleen maar het zien van deze man maakte hem woedend. Was hij niet de oorzaak van al die moeilijkheden? Was hij niet de reden waarom families verdeeld waren en waardoor jonge mensen misleid waren? En daar was hij. Hij liep vrij door de straten om naar het Heilige Huis te gaan om te kunnen bidden! Omar voelde de woede branden. Hij mompelde: “Omar, je bent de meest gevreesde man in Mekka. Je haat de islam en alles waar het voor staat. En het meest van alles haat je die man, die daar langs je deur slentert alsof hij van niemand iets te vrezen heeft! Daarom moet je hem in de gaten houden!”

Nadat hij dit gezegd had, volgde Omar de eenzame silhouet door de straten naar de Ka’aba. Toen hij de Haram, het heilige grondgebied waarbinnen de Ka’aba staat, binnenging, was de profeet Mohammed daar al. Hij had zich naar het noorden, in de richting van Qoeds, Jeruzalem, gericht en verrichtte zijn gebeden en verheerlijkte God. Omar had eigenlijk nooit gehoord wat Mohammed zei, wat hij van God ontvangen had. Hij was zo bevooroordeeld en onverschillig, dat hij het niet wilde horen.

Maar nu verscheen het gezicht van Oem Abdoellah opnieuw voor zijn ogen, toen hij daar zo in het donker in de Haram stond. Zijn nieuwsgierigheid was gewekt. Wat voor magie kon er nu in die woorden zijn, dat er voor zorgde, dat zoveel mensen hun manier van leven en hun oude gewoontes opgaven en deze man volgden? Bij God, Omar was voor niemand of voor geen enkele soort toverkunst bang. Hij was immers de sterkste man van Mekka!

Hij tilde zijn arm op en duwde het zware kleed dat over de Ka’aba heen hing, opzij en verschool zich er achter. Hij liep langzaam naar voren, om meer in de buurt van de profeet Mohammed te komen. “Spreek Mohammed!” siste hij tussen zijn tanden door. “Laat mij maar eens van die toverspreuken horen. Vertoon jij maar eens je heksenkunsten aan Omar!”

Alsof hij antwoord gaf, klonk de stem van de profeet Mohammed luid:

“De Ware Werkelijkheid! Wat is de Ware Werkelijkheid? En wat zorgt ervoor dat gij zult beseffen, Wat de Ware Werkelijkheid is?”

Omar leunde naar voren om geen woord te hoeven missen:

“….En Farao, en degenen die voor hem waren, en de steden die verwoest waren, hebben een grote zonde begaan. En zij gehoorzaamden allen niet, de Boodschappers van hun Heer. Hij sloeg hen dus, met een steeds groter wordende straf. Op die dag, zult gij geoordeeld worden. Geen enkele van uw daden die gij verbergt, zal verborgen blijven. En dan zal degene, die zijn oordeel in zijn rechterhand krijgt, zeggen: “O lees mijn oordeel!” Maar degene die zijn oordeel in zijn linkerhand krijgt, zal zeggen: “Ah, ik wou dat ik nooit mijn oordeel had gekregen!” Mijn welvaart heeft mij geen voorspoed gebracht. Ik heb mijn macht verloren! Dit was degene die niet in God, de Allerhoogste, wilde geloven. En zich niet genoodzaakt voelde om de behoeftige te voeden! Hij heeft op deze dag geen enkele vriend. En hij heeft geen ander voedsel, dan de vuile etter, die uit zijn wonden vloeit…”

Deze beangstigende en indrukwekkende woorden van de Qor’aan drongen direct door tot het hart van Omar. Hij was ademloos, alsof hij bedwelmd was. Hij was gedwongen om de betekenis ervan te overdenken. “Het heeft echt kracht, want ik kan de kracht herkennen…maar het is een soort gedicht. Een machtig gedicht…dat is het!”

Het is dit gedicht wat de mensen van de Qoeraish heeft bedorven! Maar de woorden van de profeet Mohammed onderbraken de gedachten van Omar:

Dit is waarlijk het woord

Van een geëerde Boodschapper.

Het is niet het woord van een dichter.

Slechts weinig gelooft gij!”

Omar was nu volledig van zijn stuk gebracht. Kon deze man zijn gedachten lezen? Als hij de gedachten van de mensen kon lezen, dan moest hij wel een waarzegger zijn, dan moest hij in staat zijn om de geheimen van de harten van de mensen te lezen. Maar opnieuw trokken de woorden van de profeet Mohammed zijn aandacht:

“….Het zijn niet de woorden van een waarzegger; Gij kunt zich maar weinig herinneren. Dit is een boodschap, die door de Heer der Werelden naar beneden is gezonden. En als de Boodschapper hier maar iets in Onze Naam aan toevoegt, dan grijpen Wij hem beslist, bij zijn rechterhand, en we zullen dan beslist de bloedvaten van zijn hart afsnijden…”

Omar was nog nooit in een dergelijke situatie terecht gekomen. De argumenten waren overweldigend. Als Mohammed loog, dat hij geen boodschap van God had ontvangen, dan zou zijn God hem vernietigen. Omar kon het niet meer aan. Volledig van zijn stuk gebracht stapte hij achter het gordijn vandaan, keerde zijn rug naar de Ka’aba en liep langzaam over de verlaten weg naar zijn huis.

Boven de daken van Mekka bedekte een roze sluier de hemel, alsof er in de vervagende duisternis een sprankje hoop boven de stad uitrees. Zo was het ook in het verwarde hart van Omar. Het leek even alsof de duisternis verbleekte, alsof er een sprankje begrip en geloof naar binnenging, maar eigenlijk begon nu pas het ware gevecht in Omar’s hart. Hij zag dit beetje begrip voor zwakheid aan, en dat maakte hem nog woedender en koppiger.

Een deel van hem wilde alles, dat hij die nacht had gehoord, vergeten, net zoals het gezicht en de woorden van Oem Abdoellah. Dan kon hij doen alsof er niets aan de hand was. Maar zo was het nu eenmaal niet. Een ander deel van hem, ver weg, herkende in de profeet Mohammed een serieuze en integere man. Hij voelde eigenlijk wel dat zijn boodschap dichter bij de waarheid stond dan alles wat hij ooit van zijn voorouders had geleerd, alles wat sinds zijn jeugd aan bijgeloof in zijn hart en zijn verstand was gepompt. Maar hij kon zichzelf er niet toe zetten om het oude geloof voor de beweringen van één man op te geven. En ook niet vanwege de woorden van een vrouw!

Dit was nu Omar’s geestelijke toestand, zijn gedachten waren als de roze gloed die met hem mee naar binnen gingen in zijn woning. Omar sloot de deur achter zich.

De nieuwe gelovigen waren een gemartelde en vervolgde minderheid in Mekka. Ze konden hun geloof niet openlijk uiten of in de Haram bidden. En Omar’s felle tegenstand was daar een belangrijke oorzaak van. Ze waren met weinig en hun tegenstanders en achtervolgers waren met veel meer, maar niemand was zo actief en vurig als Omar.

Het verzamelpunt van de profeet was aan de rand van de berg Safa, in het huis van zijn naaste metgezel Arqam, gevestigd. Zijn volgelingen kwamen daarheen en bleven elke keer een paar dagen en nachten bij hem, om de Qor’aan uit hun hoofd te leren, met hem te praten over de islam, met elkaar te discussiëren over hoe zij het beste konden overleven in een gemeenschap die hen verwierp, en hoe zij zichzelf het beste konden voorbereiden op de grote strijd die voor hen lag.

De profeet had zijn moslimgemeenschap in groepen verdeeld en elke groep was aan de zorg en leiding van één van zijn oudste volgelingen toevertrouwd. Behalve dat zij in het huis van Arqam samenkwamen, bezochten zij ook elkanders huizen, reciteerden de Qor’aan, leerden het uit het hoofd en trachten de laatste openbaringen, die zij van de profeet hadden geleerd, te begrijpen. Zij schreven de verzen op verschillende materialen, zoals dierenhuiden en stukjes perkament; dit werden later de soera’s, de hoofdstukken van de Qor’aan. Omar wist niet, dat het huis van zijn eigen zuster, Fatima en haar man Sa’id, een dergelijk centrum was, want ook zij waren moslims geworden.

Op een ochtend waren de gelovigen, die zich in het huis van de profeet hadden verzameld, zeer ontmoedigd. Zij hadden het nieuws ontvangen, dat Aboe Jahl, een andere felle vijand van de islam samen met Omar het plan had bedacht om een aantal van de volgelingen te slaan en te beledigen. Het leek erop, dat de groep geen andere mogelijkheid meer had dan te vluchten of zich te verbergen. “Het probleem is, dat we niet met genoeg mensen zijn om weerstand te bieden,” zei iemand. “Kijk maar naar ons, sommige waren vroeger slaaf en de meeste van ons zijn te jong! Wat kunnen we doen tegen de machtige Qoeraish? Wat we nodig hebben is een paar sterke mensen onder ons!” De anderen glimlachten droevig, ze waren het er mee eens. Ze gingen nu allemaal zitten om na te denken over wat er gezegd was. Langzaam stond de profeet, die bij hen in de buurt zat, op.

Hij hief zijn handen op en smeekte tot God: “O Allah! Leidt kracht naar de islam. Leidt Aboe Jahl, de zoon van Hisham, of Omar, de zoon van Khattab, naar de islam. Leid van deze mannen degene, die U het meest liefheeft naar de islam!” Iedereen die dit gebed hoorde, herhaalde het zachtjes in zijn eigen hart. Toen ging de profeet weer zitten en samen mompelden zij zachtjes, alsof zij één stem hadden, ‘Amien’ (dat Allah dit gebed moge verhoren).

Omar voelde zich ondertussen rot, erger dan ooit. De nacht met de gebeurtenis bij de Ka’aba bleef hem maar achtervolgen. De verzen van de Qor’aan, die de profeet had gereciteerd, bleven hem zelfs in zijn slaap achtervolgen. ‘Op die dag zult gij geoordeeld worden. Geen enkele van uw daden die gij verbergt, zullen verborgen blijven…’ De woede van Omar tegenover de profeet groeide met de dag.

Op een dag kwam hij tot een snel besluit. “Wat is er toch met mij aan de hand?” vroeg hij zich luid af, terwijl hij door zijn kamer ijsbeerde. “Ik kan geen enkel probleem ontdekken! Als je een zwerende steenpuist op je lichaam hebt, moet je hem er uit snijden! Zo simpel is het!” Hij greep naar zijn zwaard. “Als één onverlaat de hele stad vernietigt, dan moet je hem neerslaan!” Hij was verbaasd, dat hij dat nog niet eerder bedacht had.

Omar geloofde, net als alle woeste mannen, dat een idee alleen door geweld kon worden uitgevoerd. Hij kon geen moment meer wachten, nu hij besloten had, geweld te gebruiken. Hij kon op dat moment niet begrijpen, dat als de waarheid, een groot geloof, de harten van de mensen in beslag heeft genomen en zij van dit geloof houden, je dit niet zomaar door middel van geweld kan uitwissen. Omar liep, zich niet bewust van de krachten die hem omringden, zijn huis uit. Hij had zijn zwaard in zijn hand. Voor de toevallige voorbijganger die dag kon de ruwe reus, met een ontbloot zwaard, niet eenvoudig aan de aandacht ontsnappen.

Al snel ontmoette hij zijn neef Noe’aym, de zoon van Abdoellah al-Naham. Noe’aym’s ogen vielen op het glimmende lemmet, dat Omar in zijn vuist klemde. Het was wel duidelijk wat Omar van plan was. Noe’aym probeerde kalm te blijven. “Waar ga je heen, Omar?” vroeg hij. Omar’s gezicht zag bleek van vastberadenheid. “Waarheen? Ha! Goede vraag. Ik ga een eind aan al dat gedoe maken, dat is het! Ik ga een eind aan die ketter maken die de Qoeraish verdeelt en de religie van onze voorouders veroordeelt, en die onze afgoden beledigt!” Omar’s stem klonk luid door de straat, en de mensen die daar woonden, keken bang door hun ramen, toen zij hem hoorden. “Hij zal niet meer beschuldigen!” Omar’s zwaard kliefde door de lucht.

Noe’aym’s moed zakte hem in de schoenen. Hoe moest hij deze fanatieke man stoppen? Hij dacht vlug na, wat hij kon zeggen om Omar’s vaart naar het huis van de profeet te vertragen. “Wie gaf jou het idee, dat je zomaar Mohammed kon doden en dan gewoon weglopen? Denk je echt, dat als je slaagt, zijn familie jou in leven laat? Heb je niet nagedacht wat voor een bloedgeld zij van onze stam, de Banoe Adi, zullen nemen?” Omar schreeuwde zijn antwoord terug en er volgde een vreselijke ruzie, waarin elk naar de ander schreeuwde. “Ik merk nu,” schreeuwde Omar, “dat jij ook een ketter bent! Kom hier, dan zal ik je van je ziekte genezen!”

Al zijn moed bij elkaar rapend, antwoordde Noe’aym: “Wat ben je toch zeker van jezelf, Omar. Idioot! Je weet zelfs niet eens, dat je eigen zus een moslim is. Ja, Fatima! En haar man Sa’id. Zij zijn veel verstandiger dan jij. Zij blijven zich niet angstvallig aan de verkeerde strohalm vasthouden, als zij eenmaal de waarheid hebben gevonden!” “Dat lieg je!” siste Omar. Zijn ogen puilden zowat uit zijn hoofd toen hij dit vreselijke nieuws hoorde.

Onmiddellijk veranderde hij van koers. In plaats van naar het huis van de profeet te gaan, ging hij naar het huis van zijn zuster. Noe’aym, die zag wat hij van plan was, probeerde hem de weg te versperren, maar Omar schoof hem opzij. “Zij zullen het eerste sterven!” riep hij, en hij liep met grote passen weg.

De weg naar Fatima’s huis was echter lang, en toen Omar haar huis bereikt had, was zijn woede gezakt. Hij stopte om even om op adem te komen. En terwijl hij met het heft van zijn zwaard op de deur klopte, hoorde hij het geluid van stemmen die gezamenlijk wat oplazen. Hij aarzelde een moment, hij luisterde, en klopte daarna met al zijn kracht opnieuw aan de deur.

Binnen waren Fatima, haar man Sa’id en hun leraar Khabbab, die de meest recente openbaringen van Allah aan de profeet reciteerden. Zij stopten, geschrokken van de onderbreking. “Wie is daar?” riep Fatima. “Omar, de zoon van Khattab.” Bij het geluid van Omar’s stem verdween Khabban, een tengere man, vlug naar de achterkamer. “Snel,” fluisterde Sa’id, “verberg het perkament.” Fatima stopte het tussen haar kleding, tegen haar borst aan, en ordende daarna vlug haar kleding. Omar klopte opnieuw, nog harder, en Sa’id opende de deur. Hij zag Omar’s grote gestalte met getrokken zwaard voor zich. “Wat was dat allemaal voor een gemompel? Denken jullie, dat ik dat niet gehoord heb?” “Niets,” zei Fatima kalm, “we waren gewoon aan het praten.” “Leugenaars! Lafaards! Ik weet wel, dat jullie ketters zijn!” Fatima en Sa’id keken naar elkaar. Nu Omar het wist, viel er niets meer te verbergen. “De waarheid is niet wat je denkt dat hij is,” zei Sa’id rustig.

Dit was te veel voor Omar. Hij verloor zijn zelfbeheersing en boog naar voren en greep Sa’id bij zijn baard. Sa’id, die zichzelf probeerde te verdedigen, viel naar achteren op de grond. Omar maakte hiervan gebruik en sprong op zijn borst, hield hem op de grond en hief zijn zwaard op, boven het hoofd van Sa’id. Fatima gilde, rende naar haar man en greep Omar bij zijn hemd om hem met al haar kracht van Sa’id’s borst af te trekken. “Omar! Ga van hem af! Laat hem gaan!”

Omar, geïrriteerd door de onderbreking, sloeg haar hard in het gezicht. Een druppel bloed gleed over Fatima’s wang. Bloedend en gewond weerstond zij Omar moedig. “O vijand van God,” zei zij, “je haat ons alleen maar omdat wij in één God geloven.” “Dat klopt,” zei Omar. “Dan moet je maar met ons doen, wat je wilt, Omar,” antwoordde Fatima met een stalen gezicht. “Wij getuigen dat er geen God is dan Allah en dat Mohammed Zijn profeet is. Je kunt niets doen, om dat te veranderen, hoe erg je het ook haat. Wij zullen de islam nooit verlaten.”

De vastbeslotenheid en de moed in de stem van zijn zuster, maakten grote indruk op Omar. Het was net of er een koude douche over zijn woede werd uitgestort. Langzaam zakte zijn woede, ontspande hij zijn greep op Sa’id en hij richtte zich in zijn volle lengte op. “Goed zus,” Omar’s stem was nu kalmer. “laat me dan maar zien wat je aan het lezen was. Als er iets van enig belang in staat, dan kun je het mij tenminste ook wel laten weten.”

Fatima aarzelde even en keek naar haar man. “Ik beloof, dat ik het niet zal weggooien en dat ik het aan jou terug zal geven,” verzekerde Omar haar. “Goed,” zei Fatima, “maar ga eerst je handen wassen. Je bent nu niet in de toestand om de woorden van God aan te raken.”

Toen Omar de kamer uitging, kwam Khabbab, de leraar, uit de andere kamer tevoorschijn. Hij gaf hen fluisterend een uitbrander: “Hoe kan je nu een ongelovige vertrouwen? Iemand die zo gewelddadig is!” “Ik ken mijn broer,” antwoordde Fatima, “en ik heb goede hoop, dat Allah hem op het rechte pad zal leiden.”

Khabbab, die zag dat Omar terugkwam, verdween weer in de achterkamer. Met een stil gebed gaf Fatima de stukken perkament aan haar broer. Omar las:

“Wat er ook in de hemelen en op aarde is, verheerlijkt Allah; Hij is de Almachtige, de Alwijze. Van Hem is het koninkrijk der hemelen en der aarde. Hij doet sterven en leven en Hij heeft macht over alle dingen. Hij is de Eerste en de Laatste, die Zich Manifesterende en de Verborgene, en Hij heeft kennis over alle dingen. Hij is het, die de hemelen en de aarde in zes perioden schiep, daarna zette Hij zich op de Troon neder. Hij weet wat de aarde ingaat en wat er uit voortkomt, en wat van de hemelen nederkomt en wat er naar toe opstijgt. Hij is met u waar gij ook zijn moogt, want Allah ziet alles wat gij doet. Van Hem is het koninkrijk eer hemelen en der aarde en naar Allah worden alle dingen teruggebracht. Hij laat de nacht in de dag overgaan en de dag in de nacht en Hij is de Kenner van het innerlijk.”

Vroeger zou Omar de woorden van het perkament niet begrepen hebben, het zou voor hem een vreemde taal zijn. Maar nu begreep hij het onmiddellijk en zij waren duidelijk de waarheid. Hij werd overtuigd toen hij verder las. Hij begreep nu voor het eerst, dat hij het lange tijd mis had gehad, en dat Mohammed echt de Boodschapper van de Ene God was. Want hoe konden er nu andere goden naast de Ene God bestaan?

“Wij hebben u de Qor’aan niet geopenbaard opdat gij (er door) ongelukkig zoudt worden. Doch als een vermaning voor hem die (God) vreest. Een openbaring van Hem, die de aarde en de verheven hemelen heeft geschapen. De Barmhartige, die Zich nederzette op de Troon. Hem behoort al hetgeen in de hemelen en op aarde is, eveneens hetgeen er tussen ligt en hetgeen zich onder de grond bevindt.”

“En toen hij het (vuur) naderde, werd hij aangeroepen: “O Mousa”. “Voorwaar, Ik ben uw Heer, ontdoe u van uw schoeisel; Want gij zijt in de heilige vallei Van Towa. Ik heb u uitverkoren; Luister dus naar hetgeen wordt geopenbaard. Voorwaar. Ik ben Allah; Er is geen God behalve Ik, aanbid Mij derhalve en verricht het gebed tot Mijn gedachtenis. Zie het Uur komt. Ik zal het onthullen opdat elke ziel de beloning zal ontvangen waarnaar zij streeft. Laat degene die er niet in gelooft en zijn eigen neigingen volgt, u er niet van afwenden; Anders zou gij verloren gaan.”

“Genoeg! Ik hoef niet verder te lezen!” verklaarde Omar met overtuiging. “Het is belachelijk om iets anders met de Ene God te verenigen. Hoe heb ik ooit iets anders kunnen geloven? Vlug, zeg mij waar Mohammed is!”

Zijn zuster en zwager waren compleet in verwarring en staarden naar Omar. Zij waren niet zeker van zijn bedoelingen. Khabbab kwam tevoorschijn en fluisterde naar Sa’id: “Denk je, dat het gebed van de profeet wellicht in vervulling gaat?” Maar Sa’id zei niets en keek naar Fatima voor haar instemming. Tenslotte vertelde hij waar de profeet Mohammed gevonden kon worden. Omar stak zijn zwaard in de schede, wierp het over zijn schouders en vertrok naar het huis van Arqam waar de profeet verbleef.

Binnen reciteerden de profeet en zijn volgelingen een soera, terwijl Hamza en Talha bij de deur op wacht stonden. Omar klopte op de deur. “Wie is daar?” vroeg Talha. “Omar,” kwam het antwoord. Het hele gezelschap keek verbaasd op. Wat kon hij anders willen dan hen vervolgen en beledigen. Durfden zij hem binnen te laten? Hamza, die zag dat de metgezellen aarzelden, nam het woord.

“We hoeven niet bang voor hem te zijn,” zei hij. “Als hij met goede bedoelingen komt, dan zal hij moslim worden. Zoniet,” zei hij, terwijl hij om zich heen keek, “dan zijn we met genoeg mensen om hem neer te slaan, dat is wel zeker!” Talha haalde op teken van Hamza de balk voor de deur vandaan en opende deze. Zodra Omar naar binnen stapte, grepen Hamza en Talha zijn armen en namen hem mee naar de plaats waar de profeet zat.

De profeet keek op. “Laat hem gaan,” vertelde hij hem en ging rustig naar Omar toe. Omar verroerde zich niet. De profeet boog zich naar Omar toe, maakte de riem van Omar’s zwaard los en trok het naar zich toe. Omar, de woeste en sterke Omar, stond voor zijn vijand, maar hij kon zich niet bewegen. Hij begon te trillen en schudde van kop tot teen. De profeet keek hem in de ogen. “Omar,” zei hij, “geef je slechte daden op, voordat Gods vloek over je heen komt. Omar, wordt moslim. O Allah, leidt zijn hart op het rechte pad.” “Wat…wat moet ik zeggen?” stamelde Omar.

Hamza nam het woord. “Zeg dat je getuigt dat er maar één God is en dat Mohammed Zijn Boodschapper is.” Omar keek naar Hamza, en toen weer naar de profeet. “Ik getuig…” begon hij. Alle volgelingen keken naar hem met ingehouden adem. Het schudden van Omar hield op en hij richtte zich volledig op. “Ik getuig dat er maar één God is en dat jij, Mohammed, zijn ware Boodschapper bent.”

Nadat Omar de geloofsgetuigenis had uitgesproken, konden de moslims zich niet langer meer inhouden. Ze riepen jubelend in koor: “Allahoe Akbar! God is de grootste!” Hun uitroepen waren zo luid en zo vol vreugde, dat ze door de straten van Mekka heen galmden. Omar werd meegesleept door het enthousiasme van de gelovigen en uit blijdschap over zijn nieuwe geloof riep hij samen met hen de woorden die hem tot voor kort zo woedend hadden gemaakt: “Allahoe Akbar! Allahoe Akbar!”

Vanaf dat moment gaf Omar de moslims de kracht, moed en leiderschap die hij voorheen juist tegen hen had gebruikt. Hij werd meteen even enthousiast en gedreven in het ondersteunen van de islam als hij vroeger was in het vechten tegen de islam. “Vertel mij, O boodschapper van Allah,” vroeg hij, “zijn wij niet op de weg van de waarheid, of we nu zullen leven of sterven?” “Ja natuurlijk,” antwoordde de profeet. “De tijd is nu aangebroken om openlijk voor ons geloof uit te komen en ons recht op te eisen om bij de Ka’aba te bidden.” “Goed dan,” zei Omar, en keerde zich met uitgestrekte armen naar de anderen. “laat dan iedereen, die wil gaan bidden, meegaan! Nu Omar bij jullie is, hoeven jullie je voor niemand meer te verstoppen!” De profeet knikte, glimlachte en gaf zijn toestemming.

Ze marcheerden in twee rijen het huis van Arqam uit, één rij werd door Omar geleid, de andere door Hamza, het waren Mekka’s twee meest gevreesde leiders. Ze vulden de straat en tot de verbazing van de burgers van Mekka gingen ze op weg naar de Haram. Voor de ogen van hun verbaasde tegenstanders begonnen zij met het islamitische gebed.

Nu Omar moslim was geworden, schaamde hij zich diep voor alle vervolgingen van de gelovigen, waarmee hij hen in het verleden had gekweld. Hij wilde het goed maken door zichzelf in dezelfde positie te plaatsen. De eerste persoon aan wie hij zijn nieuwe geloof wilde verkondigen, was de grootste vijand van de islam: de oom van de profeet en een gerespecteerde leider van de Qoeraish, Aboe Jahl.

Daarom ging hij de volgende dag, na zijn verklaring, direct naar het huis van Aboe Jahl. Met opgeheven hoofd en rechte rug klopte Omar luid op de deur. “Wie is daar?” vroeg Aboe Jahl. “De zoon van Khattab,” antwoordde Omar en Aboe Jahl opende de deur. Omar keek de geëerde leider van de Qoeraish aan en verklaarde: “Ik ben hier gekomen om te vertellen, dat ik de godsdienst van mijn voorouders heb opgegeven.” Omar wachtte op de verwachte aanval, in woorden of daden, maar deze kwam niet. Aboe Jahl was te verbijsterd. De man is dronken, dacht hij bij zichzelf, of hij heeft een zonnesteek. Het is beter te lachen dan om de haat van de reus over mij uit te roepen. “Echt waar?” kwaakte hij. “Ja echt!” brulde Omar en verwachtte een gevecht. Maar Aboe Jahl stond daar maar wat en zei toen met zware stem: “Doe het maar niet, Omar.”

Omar voelde de frustratie op komen.“Ik zal de islam nooit opgeven, nooit!” zei hij met overtuiging. Aboe Jahl schokte ervan, boos en bang tegelijkertijd, en hij haastte zich om zich in zijn huis terug te trekken. Gauw sloeg hij de deur in het gezicht van Omar dicht. Omar kon het niet geloven. Er was geen enkele reactie op zijn verkondiging gekomen. Hij keerde zich om en liep door de straat en klopte aan op de deuren van twee andere stamhoofden. De één dacht dat Omar wel dronken moest zijn, en weigerde verder met hem te discussiëren. De andere veranderde vlug het onderwerp van gesprek. Omar schudde verbaasd zijn hoofd. Wat was er mis met deze mensen, dat zij hem niet wilden uitdagen? Hij probeerde zijn geloof aan een derde man te verkondingen, die zijn kant op kwam. Die begreep dat Omar serieus was en raadde hem aan: “Kijk Omar. Als je echt wilt dat iedereen weet, dat je moslim bent geworden, dan moet je het aan Jamiel, de zoon van Moeammir, de grootste roddelaar van de stad, vertellen. Als die het hoort, verspreidt het nieuws zich als een lopend vuurtje.”

Omar vond dit een fantastisch idee. Zodra het donker werd en iedereen zich in de Haram had verzameld, ging hij naar Jamiel en vertelde hem, dat hij zich tot de islam had bekeerd. Jamiel kon niet wachten. Hij riep dit verbazingwekkende nieuws vlug rond. Luid riep hij naar de aanwezigen: “Hoor, burgers van Mekka! De zoon van Khattab is een ketter geworden.”

Maar dat kon Omar niet accepteren. “Idioot,” zei hij en duwde hem opzij. “Deze man is een leugenaar!” riep hij. “Luister nu naar de waarheid! Ik, Omar, zoon van Khattab, verklaar aan iedereen die het maar horen wil, dat er geen God is dan de ene God en dat Mohammed Zijn Boodschapper is.” De gemeenschap reageerde onthutst. Wat was er aan de hand? De vijand van Mohammed was een overloper geworden en stond nu aan zijn kant? De dapperen onder hen waren zo geschokt door deze verklaring, dat zij vergaten hoe sterk Omar was. Ze renden op hem toe, sloegen hem met hun vuisten en bedreigden hem met hun zwaarden.

Dit was precies waar Omar op gewacht had. Eén voor één vocht hij met hen: een vuistslag hier, een zwaardstoot daar. “De volgeling van Mohammed is geen zwakkeling!” riep hij. “Proef het zwaard van Allah.” Omar werd verschillende keren tijdens de gevechten geslagen, maar aan het eind dropen al de aanvallers één voor één af om hun wonden te verzorgen, en Omar bleef alleen achter in de lege Haram. Hij had de pijn van de kastijding geproefd, maar óók de vruchten van de overwinning.

Hamza wordt moslim

Hamza ibn Abdoel Moetallib was een van de meest gerespecteerde mannen van zijn stam Qoeraysh, hij was sterk en slim. Hamza was ook de oom van de Profeet Mohammed, hij was ook zijn zoogbroer, (ze hebben van de zelfde vrouw borstvoeding gekregen)

Hamza was heel erg bevriend met de profeet, Hamza was een van de weinigen die zich niet druk maakte over de boodschap van onze Profeet. Ten slotte was de Profeet Mohammed zijn vriend en neef.

Hamza was een jager, maar niet zomaar een, met zijn kracht en intelligentie kon hij ook leeuwen vangen.

Op een dag ging Hamza naar de Ka’ba, daar aangekomen zag hij een aantal nobelen van de Qoeraysh. Zij waren aan het vergaderen over de boodschap van onze Profeet. Hamza was verbaasd, want voor de eerste keer zag hij dat zij bezorg waren over de boodschap die zijn neef aan het verkondigen was.

Hamza lachte sarcastisch om hun geklets en hun beschuldigingen. Aboe Djahl waarschuwde hem dat hij het onderschatte. Maar Hamza wist wel beter.

De mensen van Qoeraysh bleven maar praten en dreigen terwijl Hamza zich op de achtergrond probeerde te houden.

Hamza verliet op een dag zijn huis om zijn hobby te beoefenen. Hij nam zijn pijlen en boog mee. Want Hamza was een grote jager.

Hij bleef het grootste gedeelte van de dag in de woestijn. Toen hij terug was gekomen, ging hij zoals gewoonlijk langs de Ka’aba. Op een gegeven moment zag een vrouw hem en zei: ”O abou oemaarah je hebt niet gezien wat jou neef is overkomen.” Hamza keek naar de Profeet en zag hem daar zitten. Het deed hem pijn. De vrouw vertelde hem wat Aboe Djahl de profeet had aangedaan. Hamza luisterde aandachtig mee, toen pakt hij zijn boog en liep in volle galop naar de tuin waar de nobele zaten. Hij liep naar Aboe Djahl en sloeg zonder pardon met zijn boog op zijn gezicht, dat meteen scheurde en begon te bloedden. Toen schreeuwde Hamza: ”Hoe durf jij Mohammed te beledigen, terwijl ik zijn godsdienst volg en zeg wat hij zegt!”

Iedereen was heel erg geschrokken, want Hamza’s bekering was een grote verlies.

De begintijd van de islam


About the Author



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.

Back to Top ↑